IN HET LAND DER BLINDEN
Willem Oltmans
34 Pimpernel (1)
Tussen Werner Verrips in 1961 en Dimiter Dimitrov in 1977 verkeerde nog een onduidelijke figuur in mijn leven, hier nog niet eerder genoemd. Hij heette Dirk Keijer, een veertiger, gehuwd, zoon en dochter, directeur van een zogenaamd import-/exportbedrijf, hij woonde in een schitterende villa aan de Utrechtseweg aan de rand van Hilversum, met zwembad in het souterrain. Secretaresse Loes had een eigen huisje in de tuin op enige afstand van het woonhuis.
Keijer sprak me aan in het restaurant in de Lage Vuursche, waar ik mijn moeder steeds mee naartoe nam.1 Het gebeurde begin jaren zeventig, net nadat ik via de Club van Rome in Moskou was gaan werken. Hij was reeds in de publiciteit gekomen vanwege beweerde leveranties van verboden technologie aan de Sovjet-Unie, waartegen de bvd en Den Haag bezwaar hadden. Er waren richtlijnen voor aangegeven door Washington en het befaamde Cocom in Parijs en het werd die dagen als een doodzonde beschouwd wanneer westerse zakenlieden het waagden de sovjets aan technische vindingen te helpen waarmee zij hun voordeel zouden kunnen doen. Het standaardsmoesje daarbij was gewoonlijk dat het Kremlin niet in de positie mocht komen om bedreigingen te uiten waar de navo geen antwoord op zou hebben.
Keijer werd dus - via Wibo van der Linden en De Telegraaf - teruggefloten bij vermetele pogingen de westerse blokkade van de ussr te verbreken. Aldus meldden de media begin jaren zeventig.
Er waren zakenlieden als Aurelio Peccei, de Italiaan die de Lada-automobielfabrieken in de Sovjet-Unie neerzette, die zich niets aantrokken (en zich dat ook konden permitteren) van wensen van Washington en andere ophitsers van de Koude Oorlog. Dirk Keijer behoorde niet tot hen. Hij kon dus door Haagse inlichtingendiensten vrij gemakkelijk worden gedwarsboomd. Hij had ontdekt dat ik via Peccei in Moskou werkzaam was geworden, en nodigde me uit om hem in Hilversum te bezoeken. Dat heb ik gedaan zonder te beseffen aan een variant op de Verrips-affaire te zijn begonnen.
Voor Dirk was vooral mijn vriendschap met dr. Jermen Gvishiani van groot belang. Gvishiani was immers de man die voor het Kremlin zijn handtekening zette onder buitenlandse zakelijke contracten. Over de jaren kreeg ik herhaaldelijk Dirks kaartje mee om te overhandigen, maar voorzover ik weet werd hij nooit door Gvishiani ontvangen.
Keijer was die dagen niet de enige westerse zakenman die brood zag in zakendoen in Moskou. Mevrouw Dewi Sukarno woonde in 1973 samen met de Spaanse bankier Francesco Paesa, die ook wel belangstelling had in opdrachten uit de ussr. Ik stelde hem in het Weense hotel Imperial aan dr. Gvishiani voor. Spoedig vlogen we samen naar Moskou. Hij om zaken te doen, ik om mijn contacten in de toenmalige Sovjet-Unie verder uit te breiden met het oog op mijn interviewboeken. Francesco zou enkele jaren in de gevangenis belanden omdat hij, in strijd met Cocom, technologie aan de ussr zou hebben geleverd.
Aanvankelijk kwam het niet bij met op dat ook Dirk Keijer een door de onzichtbare regering gestuurde "waarnemer" inzake mijn handel en wandel zou kunnen zijn, temeer ook omdat hij uitstekende betrekkingen onderhield met de toenmalige ambassadeur van de Sovjet-Unie in Den Haag, Alexander Romanov. Het leek me toen nog uitgesloten dat een hoge vertegenwoordiger van het Kremlin hartelijk omging met een westerse undercoveragent. Romanov was ambassadeur in Nigeriëgeweest en introduceerde Keijer bij de generaals in Lagos. Binnen de kortste keren verrees in dat land het grootste staalcomplex in Afrika. Duizenden Russen arriveerden. Moskou investeerde miljarden. Dirk begon een serie eigen projecten in Nigerië, voornamelijk op landbouwgebied. Ook startte hij kippenfokkerijen. Veel van deze contacten liepen via een kantoor in Zug, Zwitserland.
Algauw brachten de Keijers regelmatig lange vakanties in Monte Carlo door, waar ik hen heb bezocht. Ook hadden ze een gloednieuwe villa nabij Barcelona. Het verwonderde me dus ook niet dat er van de ene op de andere dag een Ferrari van een half miljoen in de garage in Hilversum verscheen, want het was - zeker na de opening van een eigen kantoor in het moderne Armand Hammer Building in Moskou - duidelijk dat de zaken floreerden.
Een duidelijke overeenkomst tussen Keijer en de om het leven gekomen cia-er Werner Verrips was, dat beide heren me meer dan eens duidelijk maakten dat ik onmiddellijk om het leven zou worden gebracht indien ik met één woord over hen zou reppen. Een bedreiging die trouwens ook door Dimiter Dimitrov zonder omwegen werd geuit. Verrips zette ik echter in Elsevier en Dimitrov liet ik via het Amerikaanse televisienetwerk abc aan de wereld zien. Beide heren zouden zelf van het toneel verdwijnen: de een zou nog twee jaar leven, de ander vier maanden. Keijer heb ik in dat opzicht ontzien van begin jaren zeventig tot 1987. In dat jaar maakte Igor Bubnov, ambassadeur van de Sovjet-Unie in Suriname, me onomstotelijk duidelijk dat Dirk Keijer aan de kant van de westerse invisible governments stond. Ik heb over Dirk gezwegen, niet uit angst dat hij me zou laten verdwijnen, maar omdat ik er jarenlang blindelings van ben uitgegaan dat hij een bonafide zakenman was die oprecht probeerde in de Sovjet-Unie handel van de grond te krijgen. Ik probeerde in mijn vak hetzelfde te doen.
Ik had absoluut niet in de gaten dat Keijer zich op de meest uiteenlopende manieren bemoeide met mijn leven. Hij wist bijvoorbeeld dat Dewi Sukarno aanvankelijk al haar kaarten op bankier Paesa had gezet en dat ze door diens escapades, onder meer in Rusland, een belangrijk deel van haar vermogen had verspeeld. Hij wist ook dat Dewi en ik bevriend waren. Hij had in Moskou een belangrijke Nederlandse deelname aan de landbouwtentoonstelling "Selkhoztechnica-78" in voorbereiding, en nodigde minister Van der Stee uit deze te bezoeken. Keijer stelde voor dat hij in zijn Hilversumse huis een diner voor mevrouw Sukarno zou geven om te onderzoeken of men tot zaken zou kunnen komen.
Zij arriveerde op 16 augustus 1978 nogal verlaat op Schiphol in gezelschap van de jeugdige hertog De Sabran, een zakenman gespecialiseerd in het Nabije Oosten en haar nieuwste vlam. Uit Hamburg was de Fürst von der Moskowa van de firma Von Cramm & Co. gekomen, om aan de zakelijke gesprekken deel te nemen. Dewi beschouwde mij als secretaris en vroeg me aantekeningen te maken. Zij gaf overigens al meteen tijdens het diner te kennen zich uitsluitend met voedingsproblemen in de wereld te willen bemoeien bij de erkenning dat er in de wapenhandel aanzienlijk meer zou zijn te verdienen. "Het is eigenlijk een politieke zaak om mensen via behoorlijke voeding rustig te houden. In dit verband zijn graansilo's en de aanleg van voedselvoorraden van het grootste belang. Wanneer je niet voor silo's zorgt, verlies je nog kostbaar voedsel door bederf." Ik luisterde in verbazing naar haar, omdat deze als playgirl bekendstaande dame voor het eerst in de acht jaar dat ik haar kende zich met ernstige vraagstukken bezighield. Ze kon niet nalaten ook enkele saillant details over andere dames in haar flatgebouw aan de Avenue Montaigne in Parijs te ventileren, zoals over Marlene Dietrich en de zuster van de sjah van Iran, prinses Ashraf.
De Zuid-Afrikanen, beweerde ze, hadden in Saoedi-Arabië de benodigde faciliteiten gebouwd. De bouw van één silo kostte vijftig miljoen dollar. Maar wat, vroeg iemand, wanneer een land geen havens heeft? "Dan bouw je drijvende silo's", was het antwoord. Ook maakte mevrouw Sukarno duidelijk dat in de handel met voedselproducten regeringen de lucratiefste afnemers waren. "I think we should decide which country we will attack first", aldus Dewi. De Sabran stelde voor bij Saoedi-Arabië te beginnen, want daar zat het meeste geld. Keijer: "We could do that and if we think it is worthwile, we can meet again. We have to approach this matter in a sophisticated way. Don't you agree, madame Dewi?"
De Sabran zei: "In Riyadh you have a Sultan as Minister of Defense, belonging to the royal family. Things get faster done there."
Dewi: "That is true, but the Minister of Defense there is also an expensive contact. He never pays." Intussen maakte mevrouw Sukarno nu ook zelf notities. "The world population becomes bigger and bigger. We can not live on pills for ever", vervolgde Dewi. "Do you realize what Japan spends on food? Indonesia is importing rice and sugar. Can you imagine? If I was Suharto, I would kill myself of shame. To import food in that country is a scandal".
"Don't kill yourself!" riep Keijer meteen uit. Hij had een gigantisch buffet laten aanrukken, dus er werd intussen behoorlijk geschranst en er werden de nodige wijnen ingeschonken. Tegen mij mompelde Dirk: "Wedden dat zij nog nooit echt goed is klaargekomen?" Intussen leek me de Fürst von Moskowa een supernicht: overdressed, verkeerde dasspeld met versierselen, en een zegelring met kroontje aan de pink, evenals overigens de Zwitserse partner in landbouwaffaires van Keijer, Dieter Baehr. "Oh, die twee trekken elkaar af", was het commentaar van Keijer.
Intussen vertelde Ruud Zeeman (bodyguard en soms chauffeur van Keijer) tijdens het wachten op Dewi's vliegtuig op Schiphol, dat de bvd hem thuis had bezocht om hem over zijn baas Keijer uit te horen. "Ze wilden zelfs in diens attachékoffertje neuzen dat ik bij me had, wat ik uiteraard heb geweigerd", aldus Zeeman.
Alzear de Sabran zei voornamelijk in vastgoed te doen. "Well, silo's are also real estate, with something inside", antwoordde Dirk. Ik stootte tegen een wijnglas, waarop hij tegen mij zei: "Dat kost je duizend gulden, Willem." Hij ging verder: "Iran is the most difficult country to do business with."
Dewi: "Well, Iraq is worse."
Baehr: "To rebuilt ships into silos can be done in half the time of constucting landbased silos."
Dirk liet zich ontvallen eens samen met Luns en de sovjetambassadeur op een Russisch hydrofiel schip te hebben gevaren. Onverwachts werd het slecht weer en de ambassadeur werd zenuwachtig. Dirk adviseerde: "Volle kracht vooruit." "En," zei hij, "dat adviseer ik met onze plannen nu ook." Hij ging verder en vertelde dat hij 38 jaar oud was, toen hij door Dewi werd onderbroken. "I am two years older, so you must respect me." Keijer: "Then we appoint you as our worldwide ambassador for silos."
"It is true," vervolgde Dewi, "that people have to eat before they can have sex. That is what the Club of Rome and this damned journalist, Willem Oltmans, have said all along." Daarop keerde ze zich naar mij en zei waar iedereen bij was: "I love you dearly, so please do not become commercial. You are too political anyway."
Ik antwoordde: "Only a little bit commercial on the side in order to stay alive, so I can write in freedom."
Op 17 augustus 1978 kwamen we en petit comité voor een finale bijeenkomst samen in een conferentiekamer van het Amstel Hotel. Keijer opende de bijeenkomst met de tegen Dewi uitgesproken woorden "Mrs. Chairman, we are ready to begin."
"Wim, can you make a memo for me?" was haar antwoord. "Business discussions are an excellent exercise for the brain", vervolgde ze. "I think we should marry to some big company. But they are all Jewish and not suitable for Arab lands. I tell you one thing, they must need us first." Ik verbaasde me voortdurend over wat ze te berde bracht, zoals de vraag: "Will there be sufficient electricity in Saudi-Arabia to operate a silo ship?"6
In september 1978 was ik in Moskou samen met Rob Soetenhorst van nrc Handelsblad, die zijn eerste reis naar de ussr maakte. De Nederlandse inzending op de landbouwtentoonstelling had een miljoen gulden gekost, alhoewel ambassadeur Romanov later zei van mening te zijn dat het de "armzaligste" van alle inzendingen was. Keijer, die de inzending had verzorgd, zei gehoord te hebben dat de Nederlandse ambassade vond dat hij in Moskou te groot werd met zakendoen en een monopolistische positie begon in te nemen. Ook zuster Betty Keijer was voor haar zaken uit Chicago overgekomen. We dineerden samen. Toen ik Dirk vertelde dat Coen Korver van de avro een boek over zijn Moskouse jaren schreef, antwoordde hij vrijwel ogenblikkelijk - zoals Werner Verrips begin jaren zestig had gedaan - "Als ik merk dat ik erin sta, dan laat ik je door een Joegoslaaf doodschieten."
Op 7 november 1978 ontving ambassadeur Romanov gasten ter gelegenheid van de 61e verjaardag van de Oktoberrevolutie. Rom, zoals we hem noemden, begroette me en wurmde mijn overhemdkraag, die blijkbaar niet goed zat, onder mijn jasje. Dirk Keijer arriveerde met een medewerker van zijn Moskouse kantoor en zijn bodyguard Ruud Zeeman. Ik zei: "Interessant dat de villa van de heer Beijen in het Gooi afbrandde, met zijn gekloot in Moskou en Peking...", dit om Keijer te provoceren. Al geruime tijd beklaagde hij zich over het gedrag van de Nederlandse autoriteiten, zowel over ministeries in Den Haag als over de ambassade in Moskou. Het was niet te bewijzen of te achterhalen, maar ik achtte Dirk volledig in staat "een medewerker" (of een Joegoslaaf) de villa van Hash Beijen in de fik te laten steken. Beijen, overheidsfunctionaris op het gebied van de buitenlandse handel, liep hem voor de voeten.
Ambassadeur Romanov zei niet te begrijpen waarom de afdeling Buitenlandse Handel van het Ministerie van Economische Zaken (Beijen) Dirk Keijer dwarsboomde. "Maybe they consider him as pro-Soviet", antwoordde ik aan de ambassadeur. Romanov zei dat het hem was opgevallen dat André Spoor (als hoofdredacteur van nrc Handelsblad) was uitgenodigd maar dat hij zonder bericht niet was verschenen.
Mijn toenemende twijfels over het ware gezicht van Keijer namen geleidelijk aan toe. De journalist Vladimir Molchanov in Moskou, had over Dirk slechts één zinnetje gezegd: "Een verkeerde vriend." Tijdens een confrontatie die ik in 1979 met hem had om de feiten boven tafel te krijgen, vertrouwde Keijer me toe dat hij op advies van ambassadeur Romanov - die inmiddels uit Den Haag was vertrokken - contact met me had gezocht. Hij wist dat ik door sabotage vanuit Den Haag in steeds ernstiger financi'le problemen was geraakt. "Het enige wat ik heb willen doen was je een mazzel bezorgen, omdat we dezelfde standpunten huldigen. Wij, Inge en ik, mogen je graag. We beschouwen je als een vriend. Ik zal je blijven helpen, maar je moet rustig blijven. Intussen vertel je mijn zuster in New York dat je voor MacMillan een boek met Arbatov gaat schrijven. Dan vertelt zij dit prompt rond en zegt erbij dat je een vriend van haar bent. Uiteindelijk bereikte dit nieuwtje ambassadeur Anatoly Dobrynin (van de ussr) in Washington dc. Die ging prompt alarm slaan en berichtte het Kremlin "beter van niet". Ik geef je alleen maar een voorbeeld van hoe je momenteel opereert in een porseleinkast, want je veroorzaakte onnodige tegenwind in het Kremlin ten aanzien van je plannen met Arbatov." Toen ik dat jaar met Arbatov in Moskou aan ons boek werkte werd hij inderdaad via de rode telefoon op zijn bureau stante pede naar het Kremlin geroepen. Hij was zichtbaar nerveus. Ik wachtte in zijn werkkamer op zijn terugkomst. Hij vertrouwde me toe door president Leonid Brezhnev te zijn gevraagd om een toelichting op het boek dat hij met me aan het schrijven was. Brezhnev had een all clear gegeven en Arbatov was kennelijk opgelucht. Wat Keijer dus zag als een voorbarige confidentie jegens zijn zuster Betty, interpreteerde ik - in ieder geval in retrospect - als een gunstige bijkomstigheid.
"Je speelt met vuur, Willem," was Keijers verzuchting, "het is allemaal levensgevaarlijk." Ook al zag ik hetgeen waarmee ik bezig was als minder gevaarlijk dan Keijer het afschilderde, ik luisterde wel degelijk naar hem. Ik nam zijn waarschuwing voorzichtiger te zijn ter harte. Op zulke momenten gaf hij me het gevoel eerlijk en als vriend te spreken. Toen ik vertrok, propte hij wat in mijn hand. Het bleek een briefje van duizend te zijn. Ik was perplex.
Begin jaren tachtig kabbelden de betrekkingen met Dirk Keijer gestaag voort. De reeks ups and downs in de relatie kwam voornamelijk voort uit toenemende twijfels mijnerzijds over wie de man in werkelijkheid was. Toen met de opkomst van Michail Gorbatsjov de verhouding tussen de Sovjet-Unie en het Westen ingrijpende veranderingen onderging, leek Dirk Keijer zijn arbeidsterrein te verleggen naar Afrika en vooral ook Latijns-Amerika, in het bijzonder Brazilië. Dat bevreemdde mij. Terwijl er een ware stormloop van westerse zakenlieden op Moskou was begonnen, trok Keijer er zich schielijk uit terug, alsof voor hem "het grote spel" aldaar was uitgespeeld. Gorbatsjovs politiek van perstrojka en glasnost had Keijers "bemoeienissen" met de Sovjet-Unie kennelijk overbodig gemaakt.
Zijn villa in Hilversum werd verkocht. Hij liet zijn huwelijk met Inge op de klippen lopen en raakte bevriend met een Amerikaanse dame, wat een overstap naar Florida gemakkelijker zou maken.
Ik had in 1983 - volgend op de militaire coup van 1980 en de vijftien politieke moorden van 8 december 1982 - mijn werkterrein naar Suriname verlegd. Ook al ontmoette ik Keijer steeds onregelmatiger (vooral ook omdat hij bijna voortdurend onvindbaar was) toch beleefden onze betrekkingen in 1986 een opleving. Hij had belangstelling gekregen Desi Bouterse te hulp te komen en vroeg mij om hem in Paramaribo te introduceren.
Keijer deed die dagen namelijk zaken met een voormalige groene baret van de commandotroepen, Theo Cranendonk, die in Zwitserland woonde. Enerzijds had Bouterse volgens beide heren kanonnen nodig om de rebellen van Ronnie Brunswijk van Stoelmanseiland te schieten; anderzijds kon Suriname uitstekend landbouwmachines gebruiken. Dus zou Desi misschien geonteresseerd zijn om via Daimler-Puch in Oostenrijk een soft loan van twintig miljoen Zwitserse franken te ontvangen om een en ander te kunnen aanschaffen?
Ik besefte ook toen niet dat de invisible government Keijer en Cranendonk had ingezet om een snel einde te maken aan mijn werkzaamheden in Suriname. Pas in 1987 - zoals in het tweede deel van deze reportage zal worden beschreven - kwam voor mij onomstotelijk vast te staan wat het ware gezicht van Dirk Keijer was geweest, namelijk dat van "a scarlet Pimpernel: I seek hem here, I seek him there, I seek him everywhere..." Dirk is sedert 1987 spoorloos.
19 Blowtorch Bob
In 1956 verloor ik, als gevolg van directe interventie van het Ministerie van Buitenlandse zaken, mijn medewerkerschap voor De Telegraaf in Rome. Sedertdien zou een berufsverbot jegens mij gelden tot aan de vooravond van een bijeenkomst van een arbitragecommissie in 2000 die de schade vaststelde die me werd berokkend. Nergens zou ik ooit nog een vaste aanstelling in de journalistiek kunnen bemachtigen, ook al werd hier door enkele bevriende journalisten meer dan eens een poging toe ondernomen. Ik denk dan vooral aan Carel Enkelaar, programmadirecteur van de nos-televisie.
Ik wist dat ik deze sabotage aan minister Luns te danken had. Hij had inzake Nieuw-Guinea op het verkeerde paard gewed en hij verdomde het om zijn ongelijk toe te geven.1 Wat was gemakkelijker dan om in het geheim, met inschakeling van de onzichtbare regering, zijn nederlaag op mij bot te vieren door mij een levenslange "rode kaart" te geven?
Na het staatsbezoek van het koninklijk paar en prinses Beatrix aan Mexico in 1964 reisde ik in hetzelfde vliegtuig als minister Luns naar New York. Ik liet hem mijn kaartje brengen. Hij kwam naar mijn tourist class-stoel, waarop ik een pleidooi afstak voor het be'indigen van de oorlog tussen ons. Hij zou immers ook naar president Sukarno reizen om, ter afsluiting van het Nieuw-Guinea-conflict, de verzoening te bezegelen? Luns ten voeten uit: hij vestigde de indruk bereid te zijn het verleden te laten rusten. In plaats daarvan zou hij een nieuwe veile streek uithalen. Zijn stunt zouden we pas in 1990 ontdekken, aan de hand van vrijgekomen geheime stukken. Na het gesprek in het vliegtuig in 1964 en om een kort geding tegen de staat te voorkomen, liet hij kort na elkaar twee telegrammen aan alle buitenlandse posten uitgaan. In het eerste gaf hij een instructie aan zijn gehele departement om mij voortaan als "alle andere Nederlandse journalisten" te behandelen, waarop wij het kort geding introkken. Veertien dagen later stuurde de man een tweede, geheim telegram rond. Dat ontkrachtte de tekst van de eerste instructie geheel. Het was dan ook een ongebruikelijke primeur toen de Haagse rechtbank op 29 oktober 1997 - na zes jaar procederen - eindelijk in een tussenvonnis opnam dat het gedrag van Luns en diens ministerie jegens mij "bedrog" was geweest.
In de hoofden van vele opvolgers van Luns is het nimmer opgekomen dat deze minister de nodige leugens verspreidde over Amerikanen en Indonesi'rs, laat staan dat hij tot misdadig gedrag in staat was. Tegenover mij hebben Luns, vele van zijn ambassadeurs en medewerkers, alsmede talrijke van hun opvolgers, zich misdadig gedragen. Zelfs het zeer beperkte aantal bewijsstukken dat na 1990 boven water is gekomen heeft dit onomstotelijk aangetoond. Normaliter zou je mogen verwachten dat na publicatie van mijn boek Vogelvrij, waarin tientallen geheime telegrammen werden afgedrukt, het Ministerie van Buitenlandse Zaken - en de haar ten dienste staande invisible government agencies - zich terughoudender jegens mij zou opstellen. Het tegendeel gebeurde. Ook de juridische arm van het ministerie, het advocatenkantoor Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn, heeft de oorlog die Luns in 1956 begon tot het jaar 2000 onverminderd en niet-aflatend voortgezet. Pecunia non olet. Alleen gaat het hier om het opsouperen van belastinggelden door Buitenlandse Zaken en het kantoor van de zogenaamde landsadvocaat, gelden die burgers niet voor een dergelijk ignobel doel hebben afgedragen. Ik kom hier later op terug.
Deze inleiding diende om de lezer ervan te overtuigen dat de reden dat ik in 1970 opnieuw ten strijde trok tegen Luns, niet voortkwam uit een tegenzet mijnerzijds. Ik wist niet dat de oorlog met Buitenlandse Zaken 44 jaar zou duren. Ik besloot toentertijd Luns wederom aan te pakken omdat hij andermaal een offensiefje had geopend teneinde de geschiedenis te vervalsen.
Nadat Sirhan Bishara Sirhan in 1968 Robert Kennedy in de keuken van een hotel in Los Angeles had neergeknald, besloot minister Luns dat een gunstig moment was aangebroken om het verlies van Nieuw-Guinea in de schoenen van John en Robert Kennedy te schuiven. Ik dacht eind jaren zestig niet meer aan deze meneer. Ik werd slechts van tijd tot tijd aan hem herinnerd omdat hij in de wandelgangen of de delegates lounge van het gebouw van de Verenigde Naties rondliep. We deden dan of we elkaar niet kenden. Ik dacht onveranderlijk: daar heb je die zak. Soms, als ik in Huis ter Heide was, hoorde ik hem op televisie anti-Sovjet-tirades murmelen, of hij vertelde de kijkers dat president Sukarno een Javaanse versie van Hitler was. Hij was president Sukarno in 1964 op paleis Bogor de hand gaan reiken, maar hij kankerde door op de Indonesische leider. Dat hadden de meeste politici in Den Haag sinds 1945 gedaan - Willem Drees voorop - zonder in de verste verten te weten wie Bung Karno was of de moeite te nemen erachter te komen.
Onderminister Roger Hilsman schreef in dit verband dat zelfs de "well-informed" in de academische wereld en de media in de vs - inbegrepen in het Congres - slechts oppervlakkig over Indonesiëwaren geonformeerd. Men zag Sukarno als "a belligerent adventurer". De vooraanstaande journalist Arthur Krock noemde de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië"a triumph of annexation by aggression". Senator Christopher Dodd van Connecticut voorspelde dat Sukarno zijn land aan het communisme zou uitleveren. Congreslid William Broomfield noemde Bung Karno in toespraken voor de volksvertegenwoordiging "a power-mad dictator", "a despot", "a bully" en natuurlijk ook "a Hitler" en een "international juvenile delinquent". Meneer Broomfield aasde op de job van senator Walter Judd en redeneerde dat hoe meer hij zich te buiten ging aan anticommunistische tirades, hoe meer kans hij maakte op de congreszetel van meneer Judd. Dat zijn de fameuze zegeningen van de Amerikaanse democratie. Luns deed jarenlang iets dergelijks, strijk-en-zet toegejuicht door De Telegraaf met koppen als: "goed gebruld!" Zo kwalificeert men zich, als kroon op de carrière, voor secretaris-generaal van de navo. Prins Bernhard stelde alles in het werk om de benoeming van Luns als hoogste man tegen te houden, maar uiteindelijk zou blijken dat de prins-gemaal zelf de nodige boter op het hoofd had.
Op 31 december 1969 stak Luns opnieuw zijn jaarlijkse troonrede af tegen H.F. van Loon van De Telegraaf, waarbij hij een stapje verder ging dan voorheen en het verlies van Nieuw-Guinea aan Indonesiëtoeschreef aan het verraad van John en Robert Kennedy. Nu beiden waren vermoord spande de minister zich in zijn blazoen te zuiveren, als gewoonlijk met leugens en een verdraaide voorstelling van zaken. Toen J.F.K. in april 1961 Luns adviseerde in Biak zo snel mogelijk de plaat te poetsen, voegde hij eraan toe: geef mij maar de schuld, maar lazer in hemelsnaam op met je vliegdekschip Karel Doorman in jullie ongeneeslijke hang naar nationale grandeur. De Kennedys waren niet anti-Nederlands, zoals Luns in De Telegraaf in 1969 beweerde. Zij kwamen als geroepen, als reddende engelen voor een totaal hopeloze militaire situatie van het koninkrijk, want J.F.K. overhandigde Luns een alibi om te kunnen zeggen: "Wij werden door Washington tot overgave gedwongen." De druk van Jakarta nam immers in die dagen gestaag toe. Hercules-toestellen dropten Indonesische para's bij Merauke, Kaimana, Teminabun en Sorong. Snelle motorboten met Indonesische mariniers begonnen in de wateren rond Nieuw-Guinea aanvallen uit te voeren.
Ik wendde me tot Carel Enkelaar van de toenmalige nts-televisie en overtuigde hem dat de bedrieglijke gang van zaken die door Luns in De Telegraaf werd bepleit, om een grondige correctie vroeg. De Kennedys waren dood, maar vele van hun naaste medewerkers zouden gemakkelijk een stokje kunnen steken voor een Haagse minister die de voornaamste architect was geweest van het echec dat Nederland in 1962 in Jakarta opliep, als kroon op een over het geheel genomen mislukt dekolonisatiebeleid.
Ik reisde in de tweede week van 1970 naar New York en raadpleegde professor Arthur Schlesinger jr., de historicus die A Thousand Days schreef, een overzicht van meer dan duizend pagina's van zijn werk voor J.F.K. op het Witte Huis. Hij adviseerde om mijn reportage te beginnen bij Robert Komer, oftewel Blowtorch Bob. Hij was belast geweest met de kwestie Nieuw-Guinea op het Witte Huis. Schlesinger gaf me zijn telefoonnummer in Santa Monica, Californië.
Ik kende de naam Komer oppervlakkig, omdat ik had gelezen dat hij de leiding had gehad van een pacificatieprogramma in Vietnam. Geen haar op mijn hoofd dacht er in de jaren zestig aan dat de man die voor J.F.K. de Nieuw-Guinea-affaire tot een acceptabel einde had gebracht en die in directe opdracht van L.B.J. in Vietnam aan de slag was gegaan, in Zuidoost-Azië een Amerikaanse Gestapo had geleid.
Lang nadat ik Komer in 1970 had gefilmd ontmoette ik de hoogleraar internationaal recht aan de Princeton University, Richard Falk, die mijn ogen opende voor wat er onder diezelfde Komer in Vietnam had plaatsgevonden. Er werden Provincial Reconnaissance Units (pru's) gevormd, volgens door de cia aangegeven richtlijnen, die als counter-terrorteams moesten optreden. Het doel was het Vietnamese Nationale Bevrijdingsfront via "onconventionele methoden" te bestrijden. De vermoorde president Ngo Dinh Diem hanteerde reeds een voorloper van de pru, waarbij gendarmes huishielden onder "Vietcong-propagandisten, belastinginners, kidnappers en moordenaars", aldus het Diem-regime.
Komer en co. hadden de 20.000 man van Diem opgevoerd naar 72.000, aangevoerd door een coterie van ex-politiemannen uit de vs en ander door de cia geronseld gespuis dat altijd in was voor een partijtje cowboy spelen in de jungle van Azië. David Welsh refereerde in 1971 aan Komer als "the pacification honcho" die de leiding had over de pru-commando's met hun "Gestapo and strea, lining methods' bij hun terreur over de bevolking van Vietnam.
Op 17 januari 1970 arriveerde ik in het huis van de heer Komer in Californië. Tot mijn verwondering trof ik daar ook professor Guy Pauker aan, de zogenaamde Indonesi'specialist bij de denktank van de cia in Los Angeles. Hij bevond zich in 1957 op het regeringsjacht Djidajat op een rondreis van president Sukarno door de Molukken. Hij stelde zich voor en vroeg of ik hem aan Bung Karno wilde voorstellen, wat ik een dag later 's ochtends om zes uur heb gedaan, wetende dat de president vroeg opstond en het prettig vond wanneer deze of gene een praatje kwam maken. We brachten de nacht op een eiland door. De president logeerde in het huis van de resident, waar ik met professor Pauker in alle vroegte naartoe ging. Jaren later doorzag ik zijn tactiek: binnenkomen via iemand die werd vertrouwd. Ik had in 1957 nog nooit een boek over de cia gelezen. Nu, in 1970, dook Pauker dus weer op.
We filmden eerst Komer aan diens zwembad. Hij vertelde dat na mijn bezoek op 5 april 1961 aan Walt Rostov op het Witte Huis, de veiligheidsadviseur linea recta met mijn memorandum bij hem was gekomen met de medeling dat er in Nederland kennelijk belangrijke oppositie tegen het beleid van Luns was. Samen gingen zij later naar J.F.K. De president was een snelle lezer en wist onmiddellijk de kern van een probleem te vatten, vertelde Komer. "Ik wees de president er eveneens op dat ook prins Bernhard het met de door de Nederlandse regering gevolgde politiek in Indonesiëniet eens was.
Ik vroeg Komer: "Is het u bekend dat Luns blijft verkondigen dat de Kennedys anti-Nederlands waren?'
"Op basis van mijn ervaring als naaste medewerker op het Witte Huis in de kwestie Nieuw-Guinea vind ik een dergelijke verklaring moeilijk te begrijpen. Eigenlijk vind ik het ongeloofwaardig dat iemand de suggestie blijft doen dat president Kennedy of zijn broer Robert anti-Nederlandse gevoelens zouden hebben gekoesterd. Ik geloof trouwens niet dat iemand die goed bij zijn hoofd is de Amerikaanse politiek inzake Nieuw-Guinea in de jaren 1961-1963 als anti-Nederlands zou kunnen betitelen. Op het Witte Huis waren we van mening dat we eigenlijk een nuttige taak vervulden, vooral ten voordele van de Nederlandse regering zelf, door Nederland be-hulpzaam te zijn om zonder te veel kleerscheuren van zijn laatste overblijfsel der Nederlands-Indische koloniën af te komen."
Achter elkaar heb ik die dagen een groot aantal voorname J.F.K.-medewerkers gefilmd, waarbij McGeorge Bundy luid en duidelijk verklaarde: "Er is en er was geen overeenkomst tussen de vs en Nederland, niet mondeling en niet schriftelijk, niet openbaar en niet in het geheim, waarbij wij Amerikanen op welke manier dan ook ons hadden verbonden tot daden van geweld in de kwestie Nieuw-Guinea." Deze uitspraak alleen al, uitgesproken op het hoogste gezag van het Witte Huis en op film, zou voldoende hebben moeten zijn om minister Luns voor de rest van zijn leven het bos in te sturen. Hij stond en staat voor de rest van zijn leven als leugenaar te boek om-dat hij jarenlang had volgehouden dat Washington zijn beleid om vast te houden aan Nieuw-Guinea niet alleen steunde, maar zelfs bereid zou zijn tegen Sukarno's leger te helpen verdedigen.
Luns had door dat de film bij de nos op de plank lag en weigerde ernaar te komen kijken of er commentaar op te geven. Op 1 april 1970 togen Carel Enkelaar en diens medewerker Ton Neelissen naar de werkkamer van de bewindsman in Den Haag. Zes weken later greep ik naar een ander middel: op 14 mei 1970 verscheen in Vrij Nederland een hoofdartikel - geschreven door Joris van den Berg - met daarin de vraag waarom er een film van enig historisch belang bij de nos op de plank bleef liggen. Op 16 mei arriveerde Luns in de Haagse nos-studio. De technici lieten een ampex meelopen om de minister te filmen terwijl hij keek naar de topmensen van het Witte Huis die hem voor schut zetten. Op de avond van 16 mei 1970 telefoneerde minister Luns Neelissen thuis met het zeer dringende verzoek mijn film niet uit te zenden. Carel Enkelaar liet op 24 mei de documentaire via Panoramiek volgens plan de buis op gaan.
Wanneer ik in 2000 naar die gebeurtenissen van dertig jaar geleden terugkijk is conclusie nummer een: ik zat toen en zit vandaag in wat James Reston the information business noemde. Het was te voorzien dat Luns, diens ministerie en de onvolprezen onzichtbare regering het mij niet in dank zouden afnemen dat ik dit geschut in stelling bracht. Overigens geen reden om de artillerie van de pers dan maar op stal te laten. Het gevolg was wel dat, nadat de minister een jaar later naar Brussel was overgeheveld, hij aldaar voor de brt in reactie op een vraag over een bewering mijnerzijds antwoordde: "Meneer Oltmans is een eenmotorige mug." Zo manoeuvreerde hij steeds de lachers in zijn richting, waarna men vergat hem erop te wijzen dat hij verzuimd had de vraag te beantwoorden.
De tweede conclusie inzake de in 1970 gedraaide documentaire met de top van het Witte Huis van J.F.K. - en gedeeltelijk ook het L.B.J. - is, dat ik dertig jaar geleden nog altijd in de overtuiging verkeerde dat ik te maken had met een schurk in Den Haag, maar met keurige heren in Washington. Naar de maatstaven die nu door Amerika en de navo in Den Haag worden gehanteerd zou Robert Komer, de man met wie mijn film op 17 januari 1970 in Californiëbegon, als een der allergrootste vissen in de oorlogsmisdadenbusiness terecht hebben moeten staan. Vergeleken bij Komer en sommige medewerkers van het Witte Huis onder J.F.K., L.B.J., Nixon of daarna, was Joseph Luns een lilliputterboef. Luns had aantoonbaar minder dan honderd vaderlandse doden op zijn geweten; in Vietnam sneuvelden 58.000 Amerikaanse militairen, terwijl de Amerikaanse oorlogsmisdaden in Zuidoost-Azië in totaal aan miljoenen mensen het leven hebben gekost.
Op de vraag van een student in 1969, of het geen tijd werd om politieke en militaire Amerikaanse leiders als oorlogsmisdadigers te gaan berechten, antwoordde professor Falk: "Although the United States Government is waging an illegal war of aggression by criminal means in Vietnam, it would not be practical or even desirable to prosecute our leaders as war criminals. It would not be practical because there does not seem to be any way to constitute a tribunal that would be capable of apprehending the accused defendants and subjecting them to prosecution. It would be undesirable because such a drastic effort to repudiate the political leadership of this country would lead to a divisive kind of domestic turmoil at a time when we needed desperately to move beyond the awful years of involvement in Vietnam."
Maar Falk liet er meteen op volgen dat dit antwoord hem niet bevredigde. Het was in strijd met de in Neurenberg opgelegde rechtspraak aan nazi-oorlogsmisdadigers. Waarom gingen Amerikaanse politici en generaals die in Zuidoost-Azië hetzelfde deden, vrijuit? "To train the Green Berets to engage in political assassination on a large scale in Operation Phoenix (the program to identify and capture Vietcong political agents) or to turn over prisoners to the South Vietnamese for routine torture is also criminal behavior", aldus Falk. Hij had, toen ik hem sprak in 1972, spijt van zijn antwoord op de studentenbijeenkomst.
"I became convinced that it was essential to expose the criminal essence of the Vietnamese war as it was being waged by the United States government. I became convinced that we needed to understand that crimes were being committed in our name and on our behalf in Vietnam... To shoot women and children at point blank range in a peasant village is so obviously an attrocity that it need not even be demonstrated to constitute a specific war crime, although of course it does."
Op 9 april 2000 kreeg Blowtorch Bob een fatale hartaanval. Tim Weiner schreef bij die gelegenheid in de New York Times dat hij na vijftien jaar trouwe dienst bij de cia door J.F.K. naar het Witte Huis werd gehaald. Hij ontfermde zich op 5 april 1961 over mijn memorandum aan de president en regelde, in mijn ogen buitengewoon verdienstelijk, de kwestie Nieuw-Guinea, opdat er geen onnodig schot meer zou worden gelost. Maar in 1967 begon hij er in Vietnam op los te ranselen met een "take-no-prisoners attitude, a deathless optimism that the war would be won", herinnerde collega Weiner. In werkelijkheid stierf op 9 april een monster, wiens mentaliteit absoluut niet verschilde van die der Servische en Kroatische heren die nu zitten te brommen in de Scheveningse strafgevangenis.
In het land der blinden
ISBN 978 90 6728 107 2
Prijs 35,00
|