Door hem voorgedragen bij de presentatie van Jevgeni Onegin
Neen, in het Russisch stanza's lezen
Is voor mijn oog niet weggelegd -
Vreemd blijft het mij, in beeld en wezen,
Vreemd als graniet, wat Poesjkin zegt.
Nooit weet ik, in de spiegel kijkend,
Met stelligheid: dit is gelijkend.
Is lezen in een andere taal
Niet papegaai naast nachtegaal?
Er is een ha-kant, hi-kant, ho-kant
In dit facetrijk meesterwerk
- Spot, drift, verbazing - en ik merk
In de vertaling van Hans Boland
Dat ik van alle drie geniet.
We zijn vast dicht bij Poesjkins lied.
De verhalen in de bundel De koe lacht niet meer zijn illustraties van de onvermijdelijke striptease van het dominante denken over ontwikkelingslanden, ontwikkelingssamenwerking, ontwikkelingshulp en de Nederlandse voortreffelijkheid.
door Jan Pronk
Theo Ruyter weet waarover hij schrijft. Hij heeft zich al een jaar of veertig beziggehouden met ontwikkelingslanden en met wat wordt aangeduid als ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingshulp. Hij kent die zaken van binnen uit, omdat hij er in verschillende functies bij betrokken is geweest, in Nederland en in Afrika. Hij is er in de loop der jaren steeds kritischer over gaan schrijven.
Daarvan getuigt ook zijn jongste bundel artikelen en verhalen, verschenen onder de titel De koe lacht niet meer. Die koe komt op twee plaatsen in de bundel aan de orde. In het titelverhaal, een open brief aan zijn vrienden en collega's in Tsjaad, hekelt de schrijver een bedelaarsmentaliteit die de ontwikkelingshulp degradeert tot 'een melkkoe waaraan men zich naar hartelust te goed kan doen'. (pg.33)
Maar niet alleen hulpontvangers krijgen ervan langs, ook hulpgevers. Zij lijden, aldus de schrijver, aan hulpzucht. Die maakt de hulp tot 'een heilige koe, die je nu eenmaal moet vereren'. (pg.174) Die verering staat in het teken van 'het merk Nederland' en van de belangen van de hulpgevers zelf. Dat zijn niet zozeer de exportbelangen van de Nederlandse economie, maar de belangen van de hulpindustrie, die 'goede sier maakt met de (melk)koe' (pg.156) en doorholt als een kip zonder kop. Dat komt niet omdat de dominee het gewonnen zou hebben van de koopman, maar omdat hulp geven een doel op zich zelf is geworden en hulpgevers daar wel bij varen.
Veel mis
Ruyter bekritiseert de psychologische instelling van weldoeners die hulpontvangers een brevet van onvermogen geven en hen veroordelen tot levenslange bijstand. Zijn kritiek betreft eigenlijk het hele systeem van ontwikkelingssamenwerking zoals zich dat in de loop van enkele decennia heeft ontwikkeld. 'Grootschalige en aanhoudende westerse hulp heeft het streven van jonge naties hun formeel toegekende onafhankelijkheid en soevereiniteit daadwerkelijk gestalte te geven in de knop gebroken en omgevormd tot een patronage systeem dat wordt gekenmerkt door ongelijkheid en afhankelijkheid'. (pg.165)
Deze kritiek sluit aan bij die van Graham Hancock (Lords of Poverty) in de jaren '80 en recentelijk Dambisa Moyo (Dead Aid). Die kritiek kan niet gemakkelijk terzijde worden geschoven. Er is veel mis. Wat ontwikkeling wordt genoemd, verdient vaak die naam niet, omdat grote delen van de bevolking er niet van profiteren. Wat als hulp wordt gekwalificeerd leidt vaak tot afhankelijkheid in plaats van verzelfstandiging. Wat met een mooi woord samenwerking heet blijkt vaak een dekmantel voor bevoogding en neokolonialisme. Het is al vaak gezegd, maar het heeft niet geholpen, aldus Ruyter, want de belanghebbenden sluiten de gelederen en doen alsof hun neus bloedt.
Het alternatief van de auteur is niet volledig stoppen met alles, maar teruggaan tot de kern: 'internationale, juridisch verankerde gerechtigheid', met van buitenaf een 'inbreng in het ontwikkelingsproces van de ander (die) aanvullend en tijdelijk is'. (pg.165) Ruyter pleit er voor om niet meer te spreken van ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking, omdat deze woorden de werkelijkheid verdoezelen.
Ik begrijp dat pleidooi, maar ik deel het niet. Voor mij staan deze twee begrippen voor een ideaal. Dat ideaal betreft nu juist die kern: een wereldwijde rechtsstaat, internationale belastingheffing op verkregen welvaart en buitenlandse steun die de eigen inspanningen niet vervangt, maar katalyseert. De praktijk wijkt af van de norm, steeds verder, maar ik kan die norm niet missen.
Harde verwijten
Hetzelfde geldt wat mij betreft ook voor begrippen als 'Europese unie', 'Verenigde Naties' en 'mensenrechten'. In de politieke praktijk van vandaag hebben de meeste mensen weinig rechten, zijn de naties steeds minder verenigd en is Europa steeds minder een gemeenschap, laat staan een Unie. Maar voor mij vertegenwoordigen al deze begrippen een doel dat nagestreefd moet worden, een maatstaf waaraan de praktijk getoetst wordt.
Inderdaad, met politiek correct taalgebruik worden realiteiten verhuld en illusies in stand gehouden. Theo Ruyter heeft gelijk daar waar hij stelt dat de realiteit is dat 'negatieve verschijnselen in de hand worden gewerkt door dezelfde mensen als degenen die pretenderen ertegen te vechten'. Aldus wordt de illusie in stand gehouden 'dat mensen bewust en daadwerkelijk bezig zijn een andere realiteit te scheppen'. (pg.156)
Dat zijn harde verwijten, en niet onterecht. Ik heb soortgelijke kritiek geuit toen ik armoede en afhankelijkheid omschreef als situaties die 'willens en wetens' in stand worden gehouden door een internationaal politiek en economisch systeem, dat alleen functioneert ten gunste van degenen die zich al een voorsprong hebben weten te verwerven.
Meelopers
Theo Ruyter richt zijn kritiek echter niet alleen op degenen die binnen dat systeem aan de knoppen draaien, maar ook op de meelopers: het 'draagvlak', de filantropen, de doe-het-zelvers, de Afrofielen, de erfgenamen van de ethische onderstroom in het kolonialisme, de wensdenkers, en al die anderen die denken dat zij heel goed bezig zijn en dat er geen enkele reden is om de bakens te verzetten.
Die groepen horen niet allemaal over een kam te worden geschoren. Er is nog steeds veel oprechte interesse in hoe de wereld in elkaar steekt en hoe de situatie in Afrika werkelijk is, veel echte betrokkenheid en goede wil. Maar Ruyter heeft gelijk wanneer hij er voor pleit emotionele betrokkenheid te combineren met intellectuele integriteit en koelbloedig handelen. Integriteit voor alles.
'Dat betekent in de eerste plaats', zo schrijft hij, 'dat je de werkelijkheid tot je laat doordringen, je verzet tegen psychische mechanismen zoals selectieve perceptie en projectie, om maar te zwijgen van desinformatie en andere doelbewuste pogingen de werkelijkheid naar je hand te zetten. Het komt er […] op aan inzicht te verwerven, te begrijpen waarom bepaalde dingen zich voordoen, incidenteel of bij herhaling'. (pg.149) Daaraan ontbreekt het vaak, mede omdat mensen een rad voor de ogen wordt gedraaid, door belanghebbenden, door media en door opinieleiders.
Het kritisch analyseren van de werkelijkheid betreft zowel de verhoudingen in de wereld als die in ons eigen land. De eerste categorie komt in deze bundel slechts terloops aan de orde, maar van de wijze waarop een en ander in het Nederlandse beleid is misgelopen, worden in De koe lacht niet meer veel voorbeelden gegeven. Dat maakt de kritiek wat onevenwichtig.
Werkelijkheid
Maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door een aantal verhalen over de werkelijkheid in Afrika zelf. Die verhalen beschrijven niet de zieligheid van Afrika. Ze prediken geen doemdenken, maar getuigen evenmin van ongefundeerd Afro- optimisme. Het zijn verhalen over mensen uit het Westen die op een onverwachte manier geconfronteerd worden met de Afrikaanse werkelijkheid.
Deze verhalen schuren, maken dat de lezer zich ongemakkelijk gaat voelen, niet uit schuldgevoel, maar omdat er – zo luidt de titel van een van de verhalen – een striptease wordt uitgevoerd. De expatriate, de buitenlandse docent aan een universiteit, de ontwikkelingswerker, de journalist, de Europese vriend op bezoek, de reiziger, de ervaren Afrika kenner en de naïeve bezoeker; zij komen in deze verhalen allemaal in hun hemd te staan, omdat zij er eigenlijk weinig van begrijpen.
Al deze verhalen zijn illustraties van de onvermijdelijke striptease van het dominante denken over ontwikkelingslanden, ontwikkelingssamenwerking, ontwikkelingshulp en de Nederlandse voortreffelijkheid. De keizer heeft geen kleren aan, dat is de rode draad door het betoog in deze essays. Het is de vraag hoe we daarop reageren. Wenden wij ons af, uit schaamte of weerzin? Verwijten we de boodschapper dat hij ons de ogen wil openen? Brengen we de keizer om? Of kleden we hem opnieuw met het gewaad dat hem past?
De auteur was in het verleden namens de PvdA diverse malen minister van Ontwikkelingssamenwerking.
Door hem voorgedragen bij de presentatie van Het geheim van de Nazoreeërs
Jeruzalem in woord en beeld
Alles overvalt in deze stad mateloos
stank voert strijd met ingedroogd zweet
en geschreeuw van verhitte mannen
over het eeuwig ongelijk
Romeinen stampen laarzen
verdrinken in dronken stegen vol gemurmel
priesters haasten zich de weg naar een vergeten God
vervloeken elke lastering die ze zelf aanbidden
de hogepriester hoereert op sluipvoeten de keizerlijke macht
in deze werveling van God en goden spelen
woeste vetes blootsvoets als geharnaste ridders
een dodelijk spel van woorden
die stad leeft gesplitst in holtes vol vergif
venijn
ondermijnd door zichzelf
begroeid met weerbarstige olijfbomen
en ondoordringbaar de muren uit eigen rotsvastheid gegroeid
in de spelonken van de benedenstad
aan de onderkant van alle beschaving meurt het dampende volk verwensingen en
spuugt het woede in die nooit verschoonde stegen
het plebs vervuilt de straten voortdurend
en opstanden lopen als krolse katers
door de holle stad
Sicarii
moordenaars verspillen ander tuig én braafheid
de bovenstad met de verdachte vreemden
een ander ras en eigen priesters
volk van bedriegers en potentaten
drijvend in vette wellust en geilheid
overheersers maar nooit aan de macht
corrupte paleisbazen in albasten torens vol geweld
de gouden kooi voor hoogmoedige gevangenen
dit Jeruzalem
heilig
ontaard
goddelijk
duivels
in een orgie van gewapende vrede en vunzig verraad
dit Jeruzalem eeuwig twistappel van afgoderijen
lasteraars en menselijke bloedzuigers
en altijd weer een ongrijpbare Salomé met een mannenhoofd als wildschotel rondgedragen
dit Jeruzalem de geboortestad van twist en liefde
amoureus en kwaadwillend
waar Pilatus dwangmatig de andere handen van Herodes
Kajafas wast
maar evenzo het centrum van een aards universum
wieg van een gezuiverd wereldbeeld
plaats van goddelijke hoop
altaar van liefde
geloof
(in het geheim van de Nazoreeërs)
Recensie: Jeanette was er eerder!
Werk in uitvoering
Deze website is in opbouw en zal stapsgewijs uitgroeien tot het volledig overzicht.
Tot die tijd is de oude site nog te bezoeken.