UITGELICHT

Zoeken



UITGELICHT:
Het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme


Nieuws
Verwacht
Recent verschenen
Contact


NON-FICTIE
actueel
geschiedenis
(auto)biografiën
media
buitenland
economie
Willem Oltmans


SERIES
Voor bewezen diensten
Berichten uit de voormalige SU
Vergeten verleden
Dossier Europa
Jansen & Janssen
Vlugschriften


IN SAMENWERKING MET
Humanistisch Historisch Centrum
De Vrije Gedachte


JURIDISCH
FILOSOFIE & KUNST


FICTIE
Proza
Poëzie
Toneel
Waargebeurde verhalen
politieke proza/essays
kinderboeken

Poesjkin
Shakespeare
Sonja Prins
Guus Houtzager

LITERAIRE VERTALINGEN
Russisch
Engels
Spaans


DISTRIBUTIE


IMPRINT
Uitgeverij Schokland


Uitverkocht
Divers

In memoriam
UITGELICHT: Vlugschrift 21
09-12-2011

Het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme
door Paul Moussault en Jan Lust

Smul van de uitgebreide recensie van de Internationale Spectator; ondanks zijn kritiek moet Vincent van Beers toegeven dat de schrijvers verstand van zaken hebben.

Als toetje de NBD'recencie.


ISBN 9789067282550
NUR 697
184 pagina's
EUR 15,00
Bestellen



Internationale Spectator
Jaargang 65 nr. 7/8 | Juli/Augustus 2011

Door Vincent van Beest

Terrorisme in institutenland

Om goed te kunnen begrijpen waarom het boek Het centrum voor terrorisme en contraterrorisme van Paul Moussault en Jan Lust is geschreven, is het wellicht nuttig een flink stuk uit het slot van de inleiding te citeren. ‘Wanneer een muis op haar weg over het veld een adder ontmoet, wordt ze, gefascineerd door de blik van het reptiel, verlamd van schrik en wordt een prooi van het ondier. Maar wanneer men een blad of ander niet doorschijnend voorwerp voor de ogen van het slachtoffer houdt, en dit dus de adder niet meer ziet, verdwijnt de begoocheling en vervolgt de muis ongedeerd zijn weg. Zulk een blad te willen zijn is de pretentie van dit vlugschrift, met de schuchtere hoop dat ook hier het experiment zal slagen. [...] Ons wapen is daarbij bijtende spot. Het is niet onze bedoeling de hier achtereenvolgens ontleedde [sic!] steunpilaren van onze samenleving te bekeren van de dwalingen hunner beroepskeuze. Aan bekeren hebben we meer dan het land. Karl Marx schreef al in 1844: “Het wapen van de kritiek kan overigens de kritiek van de wapens niet vervangen”.’

Het dreigende slotzinnetje laat ik maar even buiten beschouwing, maar het doel van het boek is duidelijk genoeg. De onwetende burger (de muis) moet worden beschermd. Tegen wie? Tegen het ondier, of althans tegen diens blik, die ons in begoocheling houdt, waardoor wij op het punt staan verslonden te worden. Het ondier, het voornaamste onderwerp van het boek, is het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme (CTC), onderzoeksinstituut aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. Het boek beschrijft dit instituut, enkele andere Nederlandse onderzoeksinstituten, en de belangrijkste Nederlandse experts op het gebied van terrorisme.

Het zou de onwetende lezer vergeven kunnen worden niet direct in te zien waarom er voor deze onderzoeksinstituten en experts gewaarschuwd moet worden, of wat er althans aan het licht moet worden gebracht om ons de ogen te openen. Het merkwaardige is dat de schrijvers van het boek deze vraag eigenlijk niet duidelijk beantwoorden en opvallend weinig uitweiden over wat er nou precies zo fout is aan de Nederlandse onderzoeksgemeenschap op het gebied van terrorisme. Het lijkt bijna alsof dit als vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Kenmerkend is het volgende citaat (over de NISA, de Netherlands Intelligence Studies Association): ‘Zonder enige schroom schrijven ze op hun onooglijke website: “De NISA is een in 1991 opgerichte studiegroep op het gebied van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en daaraan gerelateerde politiediensten; opgericht om het debat over inlichtingen- en veiligheidsvraagstukken te bevorderen en het onderzoek op dit gebied te ondersteunen. In de stichting zijn vertegenwoordigd academici, vertegenwoordigers van de media en medewerkers en oud-medewerkers van inlichtingen-, veiligheids- en politiediensten”.’

Zonder enige schroom? Waarom deze studiegroep hierover schroom zou moeten tonen wordt niet uitgelegd, waarschijnlijk omdat dit voor de schrijvers zo vanzelfsprekend is, dat het geen verdere toelichting behoeft.

Af en toe echter laten de schrijvers zich even gaan, en wordt het duidelijk waartegen zij zich zien strijden. Over een congres georganiseerd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) en het CTC schrijven zij: ‘Zuiver wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de geheime dienst! Zoals in het voorafgaande al voldoende is aangetoond: aan collaborateurs in dezen geen gebrek.’ Collaborateurs dus, heulers met de vijand, en de vijand zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Maar als dat de vijand is, de diensten die door veel Nederlanders niet bepaald als een bedreiging worden ervaren, wie is dan de vriend? Met andere woorden, vanuit welk perspectief schrijven de schrijvers eigenlijk? Door de regels door is dit vrij duidelijk te lezen, maar slechts op enkele punten wordt het expliciet: de belangrijkste doelstelling van het CTC, als pion van de AIVD en de NCTb, wordt beschreven als: ‘de psychologische oorlogsvoering tegen revolutionair links, tegen gewapende antagonistische krachten in de maatschappij’.

Revolutionair links? Het is bijna een beetje tragisch om te lezen, want hoewel de diensten en onderzoekers zich ongetwijfeld bezighouden met het in de gaten houden van ‘revolutionair links’, zijn dergelijke groepen toch al lang geen prioriteit meer. Dit geeft het hele boek een nogal paranoïde en wat anachronistisch karakter, en ergens is dit jammer. Het is namelijk duidelijk dat de schrijvers zeer veel kennis hebben van Nederlandse en internationale extreemlinkse bewegingen, en hierin wel degelijk de onderzoekers de baas zijn (of althans die indruk overtuigend weten te wekken). De vele feitelijke onjuistheden in onderzoeken van Nederlandse terrorisme-experts die worden gesignaleerd, doen de lezer bijna hopen dat de schrijvers en onderzoekers eens zouden samenwerken.

Wat vervelend is, is dat de auteurs het hele boek door een nogal minachtende toon aanslaan, en hierbij de ad hominem niet schuwen: ‘Het [boek van Beatrice de Graaf] onderscheidt zich derhalve door zulk een zoetelijke naïviteit, die bij een kind ontroerend zou zijn, maar die afkeer wekt, wanneer zij van een persoon uitgaat die officieel nog niet zwakzinnig is verklaard.’

Daarnaast is het jammer dat de kritiek vaak niet verder gaat dan een eindeloze beschuldiging van het gebruik van verkeerde namen of jaartallen, en zelden theoretisch wat dieper op de zaak ingaat. Alhoewel, af en toe opduikende zinnen als ‘de personificatie en psychiatrisering van revolutionaire politiek doelt er op dat zij als een politiek van de klasse niet begrepen wordt, zij is het propagandistische veld voor de fysieke liquidatie van de kaders en geeft ruimte aan de psychologische oorlogvoering tegen de revolutionaire guerrilla’s’ – die zinnen doen niet echt hopen op meer.

Uiteindelijk laat het boek de lezer wat verward achter: hier wordt kritiek geleverd op instituties vanuit een door deze instituties waarschijnlijk dood gewaande hoek. Op zich zelf is het terrorismeonderzoek een vakgebied dat het zeker verdient eens met een kritische blik te worden bekeken: wat levert het ons uiteindelijk op, en in hoeverre is het internationale wereldje van experts inderdaad teveel naar binnen gericht? Legitieme vragen, die helaas in dit werk op een wijze worden beantwoord die lastig serieus te nemen is.



Vincent van Beest is werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en was dat voorheen bij onder andere TNO, de NAVO en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Naast diverse boekbesprekingen publiceerde hij in dit blad het artikel ‘Dreiging van terrorisme met CBRNmiddelen: urgentie van analyse’ (juni 2009, blz. 309-313.



NBD|Biblion
door Dr. H.W. Bomert

Sinds een aantal jaren is de (wetenschappelijke) belangstelling voor terrorisme sterk gegroeid, niet alleen als gevolg van de aanslagen van Al-Qaeda en andere moslimfundamentalistische groepen, maar ook onderzoek naar terrorisme in West-Europa en Noord-Amerika gedurende het laatste kwart van de twintigste eeuw. In Nederland concentreert het onderzoek zich rond het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme, een in Den Haag gevestigd instituut van de Leidse universiteit. De auteurs, die eerder publiceerden over het 'Rood Verzetsfront' (2009), een radicale beweging in de marge van de Nederlandse politiek, beschrijven met bijtende spot de publicaties van de erkende en gekende Nederlandse onderzoekers naar terrorisme. Deze onderzoekers worden weggezet als een 'rariteitenkabinet', als 'ideologisch vooringenomen wetenschappers', juist omdat ze in de ogen van de auteurs het terrorisme niet erkennen als een 'gerechtvaardigde politieke strijd'. Gewezen wordt op de (vermeende) feitelijke onjuistheden in de geschriften van terrorisme-experts en op de 'incestueuze' netwerken van de onderzoekers. Met talrijke voetnoten en een register. Pocketuitgave; kleine druk.





UITGELICHT: Vlugschrift 21
Het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme
door Paul Moussault en Jan Lust
Lees verder ...
Developed with QwikZite (version 1.12)