Voorpublicatie van enkele gedichten uit Lyriek uit Ballingschap:

Brief aan de censor

Mijn oude kwelduivel, ik denk dat ik eens goed
Met jou, Muzencipier en brompot, praten moet.
Wees maar niet bang: mijn inkt aan grof gescheld verspillen
Op de censuur, zou ik niet durven en niet willen.
Nee, Moskou is niet rijp voor wat in Londen kan.
Neem onze schrijversbent, ik weet er alles van:
Hun denkwereld is niet vervuld van angst en huiver,
En voor jouw lange arm is hun geweten zuiver.

Ten eerste: vaak genoeg beklaag ik jou oprecht.
Heus, ik benijd je niet, dat moet maar eens gezegd.
Want niemand hoeft Chvostov of Boenina te lezen
Behalve jij. Jouw werk is nonsensexegese.
Je legt bij poëzie op ieder slakje zout,
In elke prozatekst ontdek je wel een fout.
Maar beide genres zijn voornamelijk stupide,
Want Russische lectuur is tamelijk morbide:
Een Engelse roman vertaalt men uit het Frans,
Een treurspel wordt een farce, een psalm een klompendans.
Óns zal het worst wezen, jíj moet erop studeren.
Je geeuwt en dommelt weg - om troep te paraferen.

Je bent een martelaar als censor. Je streeft zó
Naar voedsel voor de geest. Voltaire, Buffon, Rousseau,
Derzjavin, Karamzin zijn schrijvers die je boeien,
Maar jij zit je humeur voortdurend te verknoeien
Met lover en struweel en dat soort nieuwerwets,
Van iedere moraal en zin gespeend gezwets.
Als je de draad verliest, begin je weer van voren.
Het hoort bij je beroep wanklanken op te sporen
In dunne tijdschriftjes: de al te scherpe toon
Van mannen wier ethiek verzandt in platte hoon.

De censor echter hoort integer te zijn, eerlijk,
Voor iemand van zijn rang is wijsheid onontbeerlijk.
Hij is het die het heil van kerk en tsaar beoogt
Maar eigen denkbeelden en ratio gedoogt.
Hij waakt over de deugd, fatsoen en goede zeden,
En zal daarom ook zelf geen kromme weg betreden.
Hij eert het vaderland alsook de wet. Hij voelt
Zich verantwoordelijk. Als waarheid is gestoeld
Op algemeen belang, hoeft zij hem niet te vrezen,
En dichtkunst hoeft van hem niet braaf en saai te wezen.
Hij is een schrijversvriend, krimpt niet voor stand of rang,
Is recht door zee, niet bang, verstandig, wars van dwang.

Maar jij bent dom en laf. Wat wil je ons vertellen?
Waar inzicht is gewenst, loop jij je aan te stellen.
Wie snapt er ooit waarom jij iets hebt doorgehaald?
Wat zwart is noem je wit, door willekeur bepaald.
Koenitsyn heet Marat, satire onwellevend,
De waarheid agressief en dichtkunst aanstootgevend.
Wat jij beslist, gebeurt - al hale je de Droes.
Je moest je schamen, man, want in ons heilig Roes
Zijn boeken dankzij jou nog altijd niet te krijgen.
En als een vraagstuk zich niet langer laat verzwijgen
Word jij omzeild en neemt de tsaar de zaak ter hand,
Bezorgd om Ruslands roem en het gezond verstand.

Ons rest de poëzie: poëmen, trioletten,
Ballades, fabeltjes, treurzangen en coupletten,
Wat liefdesmijmerij, onschuldig tijdverdrijf,
Wat fantasiebloempjes met weinig om het lijf.
Barbaar! Is onze lier een botte bijl beschoren?
Je wordt verwenst door elk van ons, literatoren.
Je houdt als een eunuch de Muzen in het oog;
Geen vlammend hart, geen smaak, geen erudiet betoog,
Geen 'Braspartij', hoe puur en nobel ook beschreven,
Brengt in jouw ijskoude gemoed een sprankje leven.
Jij speurt alom vergif, ziet scheel van achterdocht,
En achter ieder woord wordt een complot gezocht.

Bezin je! De Parnas wordt niet door haremvrouwen
Of monniken bewoond, die niet zijn te vertrouwen;
Er is geen paardenarts die Pegasus geneest
Van zijn onstuimigheid, zijn niet te temmen geest.
Je angst is ongegrond. Geloof me: wie de wetten,
De zeden of de staat voor schut probeert te zetten
Klopt echt niet bij jou aan. Hoe lastig je ook bent,
Op hem krijg je geen greep en hij blijft onbekend.
Zijn werk zal evenwel de Lethe niet beërven,
Maar vrolijk, anoniem over de wereld zwerven.

Barkov heeft nooit een vers naar jouw kantoor gestuurd,
Radisjtsjevs aanklacht bleef maar liever uit jouw buurt;
Mijn oom is nooit gedrukt, en toch hebben zijn zonden
Wel degelijk hun weg naar het publiek gevonden.
Maar jij dramt door. In ons beschaafde tijdsgewricht
Wordt Sjalikov nog haast van opruiing beticht.
Je loopt de hele boel onnodig te versjteren.
Van Catharina's Wet zou jij iets kunnen leren,
Verdiep je er eens in: een betere manier
Van handelen - naar recht en plichten - vind je hier.

Weet dat de keizerin de spotdichter waardeerde
Die tegen stommiteit en grofheid fulmineerde,
Al schoeit een hoveling in zijn bekrompen geest
Koeteikin en Gods Zoon op een gelijke leest.
Derzjavin geselde de allermeest bedeelden
En hij ontmaskerde hun trotse afgodsbeelden.
De waarheid met een grijns bekwam Chemnitzer goed.
De vriend van Doesjenka liet Venus welgemoed
Ook zonder sluier zien, hij was graag dubbelzinnig.
Maar tegenover hen deed de censuur nooit vinnig.
Je fronst je wenkbrauwen. Geef toe, het is geen schijn:
Zij zouden niet zo gauw van jouw gezeur af zijn.

Wie daaraan schuldig is, moet je de spiegel vragen.
Het stralende begin van Alexanders dagen
Begunstigde het boek, er werd een hoop gedrukt.
Als deze inhaalslag maar niet alsnog mislukt!
We schamen ons terecht voor dwaasheden, beleden
Door onze voorouders, die zelfs de naam vermeden
Van hun geboorteland, dat zwoer bij slavernij -
Voor mensen evengoed als voor het woord. Voorbij,
Voorgoed voorbij is die rampzalige, beruchte
Stompzinnigheid, dat juk waar Rusland onder zuchtte.
Een land dat een talent voortbrengt als Karamzin
Kan in een uilskuiken als jij geen censor zien...

Wees slim, toon je bereid het met ons bij te leggen.
'Ik zal uw standpunt niet bestrijden,' zul je zeggen:
'Maar leef u in mij in en val mij niet te hard,
Ik strijk al vaak genoeg mijn hand over mijn hart.
U lacht me uit, allicht. Ík kan er vaak niet tegen,
Dan jank ik, sla een kruis, en schrap op hoop van zegen.
Modes veranderen: Bentam, Rousseau, Voltaire,
Waren een hele tijd geweldig populair,
Maar nu moet ik helaas! zelfs in Millot gaan spitten,
Want vrouw en kinderen kan ik niet laten zitten...'

Ja, vrouw en kinderen, mijn vriend, zijn inderdaad,
Precies zoals je zegt, de bron van al het kwaad.
Daar doe je weinig aan. Ga je bij hen vervoegen,
Geruisloos en gezwind, toe, doe me dat genoegen.
En lukt dat niet, omdat de tsaar je niet laat gaan,
Stel dan een slimmerik als secretaris aan.




Tsaar Nikita en zijn veertig dochters

Tsaar Nikita had geen klagen,
Zorgeloos waren zijn dagen.
Lediggang en overvloed
Schonken hem een kalm gemoed,
Dat hem nergens toe verplichtte,
Wijl hij goed noch kwaad verrichtte.

Veertig dochters had de tsaar
(Bij een ganse moederschaar),
Alle veertig heel bevallig,
Engelachtig en lieftallig,
Zuiver goud en puur genot.
Wat een voetjes, Here God!
Wonderogen, zwarte lokken
Om je adem te doen stokken,
Scherp van geest en zacht van aard:
Kortom, ongeëvenaard,
Onweerstaanbaar was hun tover.
Eén ding bleef te wensen over.

Wat dan wel? O, niks speciaals,
Iets heel simpels en banaals,
Onbelangrijk en onnodig
En in feite overbodig.
Hoe kan ik met goed fatsoen
Zoiets uit de doeken doen?
God behoede mij voor ezels,
Censors, blauwkousen en kwezels!
De prinsessen hadden twee
Benen, maar daartussen... Nee,
Dat is al te onomwonden,
Zo wordt de ethiek geschonden.

Kijk, ik pak het anders aan:
Meestal word ik heet, spontaan,
Van een voetje, lippen, borsten,
Maar het hevigst blijf ik dorsten
Naar iets anders. Wat dan wel?
O, hetzelfde wat dat stel
Tsarendochters ook ontbeerde -
Wat hun echter amper deerde,
Want ze waren goedgeluimd,
Kerngezond en opgeruimd.

Toen zij zo ter aarde kwamen
Stonden paf wie dat vernamen,
Maar de moeders en de tsaar
Vonden het bij uitstek naar.
Bakervrouwen zijn en waren
Om geheimpjes te bewaren
Niet het juiste mensensoort -
Zo zei iedereen het voort,
Weeklagend en misbaar makend,
Of de humor ervan smakend
(Vanzelfsprekend niet hardop,
Want dat kostte je de kop),
Bijgelovig of beschouwend,
Maar in geen geval opbouwend,
Vond de tsaar. Hij riep zijn staf
Bij elkaar en sprak kortaf:

'Wie mijn dochters vuige zaken
Wil proberen wijs te maken,
Wie hun rare dingen leert
Of iets vreemds insinueert
Door een lange neus te trekken
Of iets uit te laten lekken,
Krijgt daarvan gewis berouw:
Tonguitrukking krijgt een vrouw
In gebreke voor haar kiezen!
Ook een kerel zal verliezen
Wat hij liefheeft!' Klip en klaar
Was de toespraak van de tsaar,
En zijn bange onderdanen
Lieten zich niet twee keer manen:
Met beleid - onnozelheid -
Raakten zij hun spul niet kwijt.
(Niettemin, slechts weinig vrouwen
Konden op hun mannen bouwen,
Want die hoopten gefrustreerd:
'Deed dat wijf maar iets verkeerd.')

Kinderen worden volwassen;
Niet in staat zich aan te passen
Vroeg de droeve tsaar advies
Bij zijn raadscollege, kies,
In met zorg gekozen woorden,
Fluisterend, want anders hoorden
Knechts en diensters misschien iets.
Wisten de bojaren niets?
Was die kwaal wel te genezen?
Eén zo'n raadsheer, onvolprezen,
Met een glanzend schedeldak,
Kwam omhoog. Hij boog en sprak:
'Laat uw toorn niet nederdalen
Over mij! Ik wil verhalen,
Majesteit, van goor gedoe
Van den vleze: hoor dan toe!

Ooit was er een koppelaarster
- Ook wel huwlijksmakelaarster -
Die daarbij, zo hield men vol,
Was geschoold als toverkol.
Zij wist middeltjes die baatten
Voor bepaalde ledematen.
God weet of ze nog bestaat,
Maar op zoek gaan kan geen kwaad.
Je kunt alles overlaten
Aan zo'n heks - ook implantaten.'

Daarop klonk een bits bevel:
'Haal dat mens, een beetje snel.
Als zij mij en mijn prinsessen
Tracht te naaien of te flessen
En geen oplossing verzint
Of geen onderdelen vindt,
Dan betekent dat een aanslag
Op mijn naam: op vastenmaandag
Zal zij branden op het plein -
Wat de Heer een vreugd zal zijn.'

Tientallen geheimgezanten
Zwermen uit naar alle kanten.
Ze vervolgen dag en nacht
Hun verholen heksenjacht,
Maar ze zoeken en ze zoeken
Zonder resultaat te boeken.
Reeds verpietert, na verloop
Van twee jaren, alle hoop.

Dan schijnt een van de kornuiten
Op een heksenspoor te stuiten.
Door de duivel voorgezegd
Komt hij in een woud terecht
Bij een hut. Er woont een oudje,
Duidelijk een heksenvrouwtje.

Hij gaat binnen. Niet beleefd
(Iemand die een volmacht heeft!)
Maar omdat hij moed verzamelt,
Buigt hij voor de kol. Hij stamelt
Dat de tsaar mistroostig is
Wegens een gering gemis
Dat zijn veertig dochters dragen.
Zonder verder iets te vragen
Sist de heks: 'Daar kan ik vlug
Iets aan doen. Kom maar terug
Als ik klaar ben, overmorgen.
Ik zal overal voor zorgen.'

Hij de deur uit. Fluks en vlot
Zet zij pek klaar en een pot.
Opgesloten in haar keuken
Prevelt zij haar toverspreuken -
Met succes, want na een poos
Komt de Droes. Hij brengt een doos
Met objecten die de mensen
Meer dan elke zonde wensen,
Veertig in totaal: een keur
Topprodukten. Elke kleur,
Vorm en grootte was voorradig,
Wulps of zedig, overdadig
Krullerig of bijna kaal,
Maar wel klasse, allemaal.

Deze fijne waren vlijde
De genezeres op zijde
In de doos. Die sloot zij af.
De geëerde gast begaf
Zich op weg naar huis... Hij rustte
Toen de zon de einder kuste,
At een maal van brood en worst
En dronk wodka voor de dorst.
(Kien om leeftocht mee te nemen,
Dan voorkwam je veel problemen.)
Ook zijn paardje wordt gelaafd,
Want het heeft zich lamgedraafd.

Om zijn voedsel te verteren
Ligt de held te mediteren:
Wie weet of hij binnenkort
Voor zijn vangst verheven wordt
In de adelstand... Hij loerde
Naar de buit die hij vervoerde -
Kijk hem wrikken, doelgericht,
Aan de klep. Die zat potdicht.
Hij werd rusteloos en gluurde
Door het sleutelgat. Wat stuurde
Die vermaledijde kol
Aan de tsaar? Het klonk niet hol...

Als de held eraan gaat ruiken
Blijkt hem dat opeens te fnuiken:
Voor de geile geur gezwicht
Heeft hij reeds het slot ontwricht.
Uit de wonderdoos ontsnapte
Een zwerm sijsjes! Schielijk klapte
Hij het deksel toe - om niet,
Want het kwaad was al geschied.

Spottend kwetteren de sijsjes
In de woudreuzen hun wijsjes.
De gezant bezweert hen, fluit,
Roept en fleemt. Het haalt niets uit.
Hen met broodkruimeltjes strikken
Werkt al evenmin; zij kicken
Blijkbaar op heel ander voer,
En ze blijven liever stoer
Op een hoge boomtak zingen
Dan weer in de doos te springen.

Als er een verdroogd, gekromd
Besje aangewaggeld komt,
Op een stok vol knoesten steunend,
Valt hij aan haar voeten, kreunend:
'Wee, het is gedaan met mij!
Lieve moeder, sta me bij!
Help me toch mijn sijsjes vangen,
Anders, moeke, moet ik hangen.'
Zij keek minachtend omhoog,
Kwam wat dichterbij en spoog.
'Zit je niet zo te beklagen,
Ook al heb je je misdragen,'
Snauwde ze. 'Maak je niet dik,
Gun die vogeltjes een blik
Op dat dingetje. Dan komen
Zij vanzelf wel uit die bomen.'

Hij bedankt het mens oprecht,
Doet wat zij hem heeft gezegd,
En jawel, de sijsjes strijken
Gretig neer vanuit de eiken.
Vlug sluit de gezant ze op
En dan gaat het in galop
Naar de tsaar - wiens veertig meisjes
In hun sas zijn met de sijsjes.

Zeven dagen was het feest.
Met een zeldzaam griezelbeest
En een aardige selectie
Uit de gifslangencollectie
Door de tsaar bijeengebracht,
Werd de chirurgijn bedacht
Om haar eminente kunsten.
Niet verstoken van de gunsten
Van de tsaar bleef ook de held.
Daarmee ben ik uitverteld.



Terug naar: Alexandr Poesjkin



[Home] [Fondslijst] [Nieuwsbrief] [Bestellen] [Informatie]
[Gastenboek] [Links] [Wegwijzer] [E-mail]


- Copyright @ CroWeb Design 2003, all rights reserved -