De inzet van het proces was een eis tot schadevergoeding van 2,8 miljoen gulden voor de nu 75-jarige journalist, vanwege 'veertig jaar getreiter en gesar van het ministerie van Buitenlandse Zaken'.
Oltmans beschikt over een vuistdik dossier aan correspondentie van het ministerie, met tal van briefjes van Joseph Luns, zijn ambassadeurs en hun opvolgers. Daaruit blijkt glashard dat hij sinds de jaren vijftig het onderwerp van strikte observatie is geweest bij het ministerie.
Als free lance-correspondent in Indonesië, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika werd Oltmans op alle manieren tegengewerkt. In zijn boek Vogelvrij (1992) publiceerde Oltmans al een keur uit deze verzameling 'hate-mail', die hij op bijzondere voorspraak van Beatrix in handen kreeg.
Oltmans haalde de onvoorwaardelijke gramschap van Luns op zijn hals door in de Nieuw-Guineacrisis van de jaren vijftig de zijde van Soekarno te kiezen. In de onderschepte correspondentie rept Buitenlandse Zaken in 1957 van 'Oltmans' mateloze tot in het absurde verering voor Soekarno'. Het favoriete wapen van Luns c.s. bestond uit smeekbeden aan de Amerikaanse regering om Oltmans een werkvergunning te onthouden. Dat Oltmans op alle manieren is tegengewerkt, staat zo buiten kijf.
De vraag was welke compensatie daar tegenover moest staan.
Op 11 augustus 1994, tijdens een persoonlijk onderhoud met Oltmans in het torentje, bood Ruud Lubbers een schadevergoeding van een ton aan, plus een regeling waarmee de journalist in de AOW zou kunnen komen. Tegenover de rechter-commissaris noemde Lubbers de wijze waarop Buitenlandse Zaken met Oltmans was omgesprongen 'een onverkwikkelijke zaak'. Het schikkingsvoorstel was Lubbers' laatste daad als premier. "Dan kunt u weer een vleugel kopen", zei hij bij die gelegenheid. Oltmans ging niet op het aanbod in. "Die ton was ik alleen al kwijt voor de postzegels", liet hij de premier weten.
De Nederlandse Vereniging van Journalisten kwam op basis van een schatting van gederfde inkomsten op een bedrag van 2,8 miljoen. "Onder de zes nullen ga ik in ieder geval niet zitten", zei Oltmans.
Veertig jaar dissidente journalistiek in het Koninkrijk der Nederlanden vinden in het proces hun bloeiende hoogtepunt. Het is de wraak van een journalist die zich sinds de dood van Wim Klinkenberg als een absolute 'Einzelgänger' beschouwt.
"Het proces was bedoeld om de sabotage van Buitenlandse Zaken jegens mij boven tafel te krijgen", aldus de eiser. "De waarheid moest gered worden, op de valreep. Straks zijn alle betrokkenen dood."
Op 12 mei 2000, na een decennium procederen, behaalt Willem Oltmans met een schadevergoeding van 8 miljoen zijn gelijk.
ARBITRAAL VONNIS
Inzake:
W.L. OLTMANS,
wonende te Amsterdam,
eiser,
advocaat: Prof. Mr P. Nicolaï,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te 's-Gravenhage,
verweerder,
advocaten: Mr G.J.H. Houtzagers en Mr A.G. Castermans
Akte van compromis, bevoegdheid arbiters
1. Partijen. hierna te noemen: Oltmans en de Staat, hebben op 28 december 1999 een akte van compromis getekend waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. Arbiters ontlenen hun bevoegdheid aan dit compromis.
Benoeming van arbiters, plaats van de arbitrage
2. Op de wijze als aangegeven in de akte van compromis zijn tot arbiter benoemd:
- de heer P.J. Vinken, wonende te Aerdenhout (voorzitter);
- de heer D. Dolman, wonende te 's-Gravenhage;
- de heer A.H.W. van der Want, wonende te Naarden.
Het NAI heeft de benoeming van de arbiters schriftelijk bevestigd en conform het verzoek van het Scheidsgerecht Mr F.H.A.M. Thunnissen tot secretaris van het Scheidsgerecht benoemd. Arbiters hebben hun benoeming schriftelijk aanvaar; zij hebben Den Haag aangewezen als de plaats van arbitrage.
De loop van de procedure
3. Bij brief van 28 februari 2000 van Mr H.W.F. Vermeer, optredend als plaatsvervanger voor Prof. Mr P. Nicolaï, is zijdens Oltmans een memorie van eis ingediend. vergezeld van een rapport van Arthur Andersen en enkele pro forma declaraties van advocaten; de bij de memorie van eis behorende producties werden nagezonden. De slotsom van de conclusie van eis luidt als volgt:
"Oltmans verzoekt de commissie de vragen a en b ontkennend te beantwoorden en bij
gevolg in antwoord op vraag c de volgende vergoedingen ten laste van de Staat te
doen opleggen:
A. Aan Oltmans wordt terzake van de door geleden materiële en immateriële schade een vergoeding toegekend
overeenkomstig het door de accountant opgestelde
schaderapport, uitgaande van de schadeberekening, welke gerelateerd is aan en gebaseerd op de situatie indien Oltmans zijn loopbaan als correspondent had kunnen aanvangen en vervolgen.
B. Verstrekking van een garantiesubsidie aan de Stichting welke tot doel heeft de dagboeken van Oltmans uit te geven.
Voorts verzoekt Oltmans de commissie aan de Staat op te leggen, dat de Staat medewerking verleent aan de herverkrijging van de verblijfstitel 'green card' voor de VS, welke is vervallen na de gedwongen uitzetting uit Zuid~Afrika naar Nederland.
Ten aanzien van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand verzoekt Oltmans deze overeenkomstig de opgave van de
advocaten te doen vaststellen en de Staat tot betaling daarvan te veroordelen.
Voorts verzoekt Oltmans de Staat te veroordelen in de kosten van deze arbitrage."
De schadeberekening bedoeld sub A wordt in het daar genoemde schaderapport als volgt samengevat:
'verdiencapaciteit periode 1-1-1958 tot 1 maart 2QQO: f 11.724.832,=
verdiencapaciteit na 1 maart 2000: f 01.800.673,=
bijkomende schade pm
immateriële schade volgens Nederlands recht f 500.000 a f 600.000 immateriële schade volgens Amerikaans recht: minimaal f 2.200.000,=
Op 8 maart 2000 zond de heer Oltmans een brief aan het Scheidsgerecht warbij hij (kort gezegd) het Scheidsgerecht erop attent maakte dat bij de conclusie van eis zijn wens om in de AOW geplaatst te worden was weggevallen.
4. Bij brief van 30 maart 2000 diende de Staat een memorie van antwoord in met de daarbij behorende producties. De conclusie van de Staat luidde:
"De Staat verzoekt Uw Scheidsgerecht dan ook de beide eerste
vragen als beschreven in de akte van compromis van 28 december 1998 met Ja te beantwoorden en voor het overige de vorderingen van de heer Oltmans af te wijzen."
5. Op 5 april 2000 ontving het Scheidsgerecht van de heer Oltmans kopie van zijn brief aan de minister van Buitenlandse Zaken van 4 april 2000. Op dezelfde datum ontving het Scheidsgerecht een fax van Mr Nicolaï met als bijlage een kopie van zijn brief van dezelfde datum aan de heer Oltmans.
Al deze brieven betroffen, kort gezegd, het al dan niet verschijnen van partij Oltmans en/of zijn raadsman bij de mondelinge behandeling.
6. Op 13 april 2000 zond Mr Nicolaï een brief aan het Scheidsgerecht waarbij een aantal stukken in het geding werd gebracht betreffende de kosten van juridische bijstand van Oltmans.
7. Op 17 april 2000 vond de mondelinge behandeling plaats aan de
Scheveningseweg no. 66 te 's-Gravenhage. Daarbij waren van de zijde van partijen aanwezig:
zijdens Oltmans:
de heer W.L. Oltmans (eerste deel van de zitting); en zijn raadsman,
zijdens de Staat:
de heer Mr V.J.M. Koningsberger alsmede de beide raadslieden van de Staat.
Aanleiding voor de arbitrage
8. Oltmans stelt dat hem door de Staat vanaf 1956 stelselmatig zijn werk als journalist-buitenland moeilijk, zo niet onmogelijk is gemaakt waardoor hij ernstige materiële en immateriële schade heeft geleden.
Oltmans heeft terzake in 1991 een procedure tegen de Staat aanhangig
gemaakt bij de Rechtbank Den Haag, nadat hij over een aantal gegevens uit het verleden is komen te beschikken die hem eerder onbekend waren. Oltmans heeft voorts meerdere procedures tegen de Staat gevoerd in
verband met het verkrijgen van gegevens of verklaringen ten behoeve van het aanhangig maken of voeren van genoemde procedure.
Na twee tussenvonnissen van de Haagse Rechtbank zijn gedurende 4 jaar grote aantallen getuigen gehoord.
9. Na een derde tussenvonnis heeft de Staat een schikkingaanbod aan Oltmans gedaan van f 1.076.310.66 dat als volgt was samengesteld:
hoofdsom f 271.500,=
wettelijke rente f 584.610.66
immateriële schade f 65.000.=
rechtsbijstand f 150.000,=
fiscaal advies f 5.000.=
totaal f 1.076.310,66
10. Oltmans achtte dit voorstel niet aanvaardbaar. Partijen hebben toen een compromis gesloten inhoudend dat aan het te benoemen Scheidsgerecht zou worden gevraagd:
"te beoordelen overeenkomstig de bij arbitrage gebruikelijke
maatstaven:
1. Of mede gezien het door Oltmans gevorderde het door de
minister van Buitenlandse Zaken gedane aanbod d.d. 3
augustus 1998 tot vergoeding van materiële en immateriële
schade in redelijkheid en billijkheid toereikend is mede in het licht van het oordeel van de rechter dat de Staat met de zogenaamde contra-lettre van Luns onrechtmatig heeft gehandeld,
2. Of het door de minister van Buitenlandse Zaken gedane aanbod d.d. 3 augustus 1998 terzake van de vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand in redelijkheid en billijkheid toereikend is.
3. Indien de commissie oordeelt, dat de aangeboden vergoedingen in redelijkheid en billijkheld niet toereikend zijn, vast te stellen welke financiële vergoedingen ter zake van de onder 1 en 2 genoemde punten ten laste van de Staat wel toereikend zijn."
Het oordeel van het Scheidsgerecht
11. Het Scheidsgerecht beantwoordt de sub 1 en 2 gestelde vragen ontkennend en stelt de betreffende vergoeding vast als hierna te vermelden. Het Scheidsgerecht neemt daarbij het volgende in aanmerking.
12. Vaststaat dat Oltmans in elk geval vanaf 1957 door het Ministerie van
Buitenlandse Zaken stelselmatig werd gehinderd bij zijn ontplooiing als journalist-buitenland. De wijze van bejegening van Oltmans door
Buitenlandse Zaken vanaf 1957 blijkt uit de citaten van de NVJ in zijn adres aan de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer. Het betreffende gedeelte van dat adres wordt hierna weergegeven.
"A.1. Bent U van oordeel dat de mogelijkheid bestaat bij de
Amerikaanse autoriteiten te bereiken, dat hem binnenkomst in de VS wordt geweigerd?" (Minister Luns aan ambassadeur Van Roijen in Washington, Codebericht no.2456-336, 11-2-57);
A.2. "Ook werd officieus bevriende CIA-relatie door mijn
medewerker ingelicht, die toezegde 'Oltmans goed in de gaten te zullen houden. ..."" (Ambassadeur Van Roijen aan Luns, Codebericht nr. 2460-340, 12-2-57);
A.3. "Oltmans zal wel hebben gehoord dat diplomaat A. de ., Vries en Sjef van den Bogaert (directeur Netherlands Information Service, Verpl.) geen gelegenheid onbenut laten om hem in de ogen van delegatieleden en journalisten te discrediteren ..." (Ambassadeur Van Roijen aan Minister Luns, Codebericht nr. 3478};
A.4. "Maar Oltmans werd na een maand wegens homoseksuele neigingen het huis uitgezet. Volledigheidshalve geef ik deze details welke van nut kunnen zijn mochten in Nederland overwogen worden enigerlei actie tegen Oltmans te ondernemen. Van Roijen confidentieel ¼" (Ambassadeur Van Roijen aan Minister Luns, Codebericht 82);
A.5. "Kunt U nagaan met welk lezingenbursau Oltmans relaties heeft en eventueel betrokkene waarschuwen ¼ "(Luns aan Ambassadeur Van Roijen, Codebericht nr. 1275, 23-1-58);
A.6. "Zal alsnog trachten tegen Oltmans te waarschuwen aan de hand van door hem gepubliceerde stukken (Ambassadeur Van Roijen aan Minister Luns, Codebericht nr. 1276 Confidentieel, 25-1-58};
A.7. "Aan het State Department is opnieuw achtergrond van Oltmans gegeven. Ik heb een voor het Consulaat werkend research-bureau een rapport over Oltmans' financiën opgevraagd. Ook de Washington Post heb ik vertrouwelijk op de achtergrond van deze journalist gewezen ..." (Ambassadeur Van Roijen aan Minister Luns, Codebericht nr. 3604, 7-3-1958);
A.8. "Voor de foto (van de koninklijke familie, Verpl.) is Oltmans naar Nederland verwezen..." (Ambassadeur Van Roijen aan Minister Luns, Codebericht 4208-5-3, 18-3-58);
A.9. "eens kunnen informeren wat waar is van de mededeling van Oltmans ¼ in de naaste toekomst in Amerika een boek zal publiceren ¼ " (Ambtenaar BUZA Braaksma aan ambassadeur Van Roijen, Codebericht nr. 63657-3956 );
A.10. " Heb jij enig idee wat thans de verhouding Vrij Nederland- Oltmans is of zal worden. Het zou me niet verwonderen als Smedts (hoofdredacteur VN, Verpl.) ook genoeg heeft gekregen van zijn medewerker ..." (Persattaché Van Houten aan ambtenaar Buza Braaksma, Codebericht nr. 72906-4430, juni 1958);
A.11. "Vrij Nederland ware hernieuwd dringend te verzoeken accreditatie in te trekken om aan Oltmans etiket van bonafide journalist te ontnemen ..." (Schürmann, Codebericht nr. 13581-9);
A.12. "...vraag ik mij af, of het niet op de weg van de groep van
Nederlandse correspondenten zou liggen te overwegen in een brief aan de redactie van de Christian Science Monitor duidelijk te maken dat de heer Oltmans geen enkel Nederlands blad vertegenwoordigt en dat de groep zich van zijn acties distantieert ..." {Van den Bogaert aan de Nederlandse correspondent Cante, brief nr. 30401 mailinglist BUZA);
A.13 "...waarbij hem (Reap, woordvoerder State Departement,
Verpl,} tevens een aantal inlichtingen over de heer Oltmans werd verstrekt, die voor hem aanleiding vormden het "Witte Huis" voor
onze tegen Nederland agerende landgenoot te waarschuwen ¼ " (Schiff, zaakgelastigde in Washington in een bericht aan Minister Luns, 1959);
A.14. "...naar Ik van hoofd Nederlands informatiebureau New York verneem heeft Minister Luns hem geïnstrueerd Oltmans In het geheel geen faciliteiten te verlenen. Van Roijen 784 ¼"
(Ambassadeur Van Roijen aan Ministerie Buza, Codebericht 13980, 5-1-1959);
A.15. "...Overigens vraag ik mij af of het mogelijk zou zijn Amerikaanse persbureaus te bewegen verder af te zien van het rapporteren over de activiteiten van deze bedenkelijke figuur die immers niemand anders vertegenwoordigt dan zichzelf. Luns 362 ¼"(Minister Luns aan ambassadeur Van Roijen, Codebericht nr. 11545, 2-8-61 )."
Al deze gegevens, waarvan de juistheid door de Staat niet is bestreden, zijn pas in 1991 aan Oltmans bekend geworden middels een beroep op de Wet Openbaarheld van Bestuur.
13. Op 26 november 1962 is door de Minister van Buitenlandse Zaken aan alle
posten en zelfstandigen consulaten-generaal een instructie gezonden met de volgende inhoud:
"ik moge Uw aandacht vragen voor hst volgende. Met een aantal posten is in het verleden reeds correspondentie gevoerd betreffende de Heer Willem L. Oltmans, die meermalen gedurende de afgelopen jaren op onbehoorlijke en met het journalistieke fatsoen volkomen strijdige wijze heeft gehandeld. Het komt mij thans echter - zij het derhalve gedeeltelijk ten overvloede -dienstig voor alle posten te waarschuwen tegen deze journalist.
Bij een eerste kennismaking, althans met oudere en hogergeplaatste mensen, is zijn behoorlijke voorkomen en zijn quasi bescheiden optreden veelal misleidend. Spoedig daarna blijkt echter dat hij iemand is tegenover wie grote voorzichtigheid in acht moet worden genomen. Hij is impulsief, niet correct in zijn weergave van ervaringen en situaties. Zijn onbetrouwbaarheid en zijn gewoonte misbruik te maken van namen van Nederlanders, zowel uit ambtelijke kring als uit het bedrijfsleven, die volgens hem achter zijn moeilijkheden opgeleverd. Ofschoon ik over een uitgebreid curriculum vitae van betrokkene beschik, acht ik het niet noodzakelijk U daaromtrent volledig in te lichten.
Gezien het bovenstaande wi1 ik er met nadruk op wijzen dat ik - wegens de grote onbetrouwbaarheid van betrokkene - niet wens dat enige Nederlandse buitenlandse missie officieel contact met hem onderhoudt. Aan betrokkene is bekend dat hij van de posten van de buitenlandse dienst geen voor journalisten gebruikelijke faciliteiten kan verwachten.
Ook onofficiële contacten moet ik ten sterkste ontraden, omdat de praktijk uitwijst, dat daaruit altijd verhalen worden geboren, in voor Nederland of voor de betrokken posten (resp. ambtenaren) ongunstige zin.
Bij informatie door derde instanties kunt U meedelen dat de
Nederlandse overheid met Oltmans geen enkele relatie wenst te onderhouden."
14. In 1964 heeft Oltmans een kort geding tegen de Staat aangespannen. Dit is niet doorgegaan omdat een regeling tussen partijen is getroffen die inhield:
"binnenkort, onder intrekking van de oude, de heer Oltmans bekende, instructie, een instructie te doen uitgaan aan alle Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, dat de heer Oltmans in aanmerking komt voor normale faciliteiten welke aan alle Nederlandse journalisten worden verstrekt."
15. Ter uitvoering hiervan heeft de Minister op 13 februari 1964 de volgende instructie doen uitgaan:
"Onder verwijzing naar vroegere correspondentie inzake de Heer Wlllem L. Oltmans moge ik U thans het volgende mededelen.
Na overleg met de Federatie van Nederlandse Journalisten, die
zich bereid verklaarde te bevestigen dat de Heer Oltmans thans
journalist van hoofdberoep is en dat hij het voornaamste deel van zijn inkomsten uit arbeid door zijn journalistieke werkzaamheden verkrijgt, heb ik besloten dat ook aan de Heer Oltmans normale faciliteiten die aan alle journalisten worden verstrekt, door de posten kunnen worden verleend."
16. Acht dagen later, op 21 februari 1964, heeft de Minister echter de volgende instructie doen uitgaan. Het uitgaan van die instructie heeft de Minister (de Staat) voor Oltmans verborgen gehouden.
"Onder verwijzing naar mijn rondschrijven dd. 13 februari 1964,
Kenmerk PV-19478, welke aansloot bij mijn rondschrijven dd. 26 november 1962, Kenmerk PV-168755, Inzake bovengenoemd onderwerp moge ik ter vermijding van misverstanden alsnog het volgende toevoegen.
Aan de Heer Oltmans ware, zoals gesteld, thans normale
faciliteiten te verlenen, welke aan alle Nederlands~ journalisten
worden verstrekt. De Heer Oltmans is bericht, dat hij daardoor b.v. in aanmerking komt voor perscommuniqué's, persconferenties en plaatsing op eventuele distributielijsten voor dienen, dat ik onder persconferenties uiteraard die conferenties versta, die voor alle Journalisten toegankelijk zijn. Dit betekent echter niet, dat mijn mening over de kwaliteiten van de Heer Oltmans een verandering zou hebben ondergaan, U dient darhalve bij contacten met de Heer Oltmans de uiterste voorzichtigheid in acht blijven nemen en U zeker onthouden van enigszins vertrouwelijke dan wel "off-the-
record" mededelingen, die overigens geenszins deel uitmaken van de normale faciliteiten voor alle journalisten, evenmin als het aanbevelen van betrokken bij autoriteiten of anderen in het land Uwer vestiging.
Bij informatie door derde instanties, dient U zich te beperken tot het doorgeven, dat de Federatie van Nederlandse Journalisten begin 1964 heeft bevestigd, dat de Heer Oltmans journalist van hoofdberoep is en dat hij het voornaamste deel van zijn inkomsten uit arbeid door zijn journalistieke werkzaamheden verkrijgt."
17. Oltmans heen pas in 1991 kennis gekregen van deze zgn. contre-lettre. De Rechtbank Den Haag heeft in een van de genoemde tussenvonnissen
geoordeeld dat deze handelwijze van de Staat is te kenschetsen als een vorm van bedrog.
18. Het is aannemelijk dat door genoemde handelwijze van de Staat het zeer
negatieve beeld dat in 1962 (en eerder) van Oltmans was geschetst en de negatieve bejegening van Oltmans, die naar aan te namen valt daar het
gevolg van zal zijn geweest, tientallen jaren werd gecontinueerd.
19. Het Scheidsgerecht is van oordeel dat al voornoemde gedragingen ven de Staat de reputatie en de loopbaan van Oltmans zodanig beschadigd hebben dat zulks niet of nauwelijks te herstellen viel en zeker niet na zo lange tijd.
Zonder deze beschadiging was een financieel betere loopbaan
waarschijnlijk geweest, en was een financieel vaal betere loopbaan zeer wel mogelijk geweest.
20. Het Scheidsgerecht zal in redelijkheid en billijkheid een bedrag vaststellen terzake van de materiele en Immateriële schade die aan Oltmans vergoed dient te worden. Bij die vaststelling neemt het Scheidsgerecht de volgende factoren in aanmerking:
-een werkwijze van de journalist Oltmans was onder meer het opzoeken, het willen begrijpen en het interviewen van tegenstanders van door de Staat en regerende politici ingenomen en bij de meerderheid van het Nederlandse volk levende standpunten. Dat was niet verboden maar wekte ergernis op, onder meer bij de Staat. Deze heeft Oltmans daarom gehinderd en verdacht gemaakt Dat heeft diens reputatie geschaad, nationaal en internationaal.
Schade aan de reputatie van een persoon kan. zeker nadat deze
langdurig is toegebracht. niet meer ongedaan worden gemaakt door de onrechtmatige bejegening te herroepen. In casu is de reputatieschade van een blijvend karakter geweest.
-Bovendien is schade aan een reputatie cumulatief: de effecten ervan worden merkbaar op een steeds breder terrein en ze versterken elkaar gedurende het leven van de beschadigde persoon. De beschadiging vergroeit met diens imago, zoals de beschadiging van een boom definitief vergroeit met zijn vorm.
-De loopbaan en het werkzame leven van Oltmans zijn door de Staat ten onrechte ingrijpend aangetast.
-De inkomensschade en de reputatieschade doen zich voor over een
periode van meer dan 40 jaar. Een beroep van de Staat op verjaring ten aanzien van een of meer van zijn onrechtmatige gedragingen is
onder de omstandigheden van dele zaak in strijd met de redelijkheid.
-Bij vergoeding van schade uit het verleden dient dia schade te worden vermeerderd met rente. Naar het oordeel van het Scheidsgerecht is
het realistisch om daarbij in casu uit te gaan van samengestelde rente.
-Het Scheidsgerecht neemt zonder meer aan dat Oltmans als gevolg
van de gedragingen van de Staat materiële schade heeft geleden. De hoogte van die schade laat zich moeilijk exact becijferen nu de werkelijke financiële situatie van Oltmans over een zeer lange periode zou moeten worden vergeleken met de fictieve situatie zoals die zich naar het oordeel van het Scheidsgerecht zou hebben voorgedaan indien de reputatie en loopbaan van Oltmans door de Staat niet op onrechtmatige wijze zouden zijn aangetast.
-Zojuist genoemde schade doet zich niet alleen gevoelen vanaf eind jaren vijftig/begin jaren zestig tot heden doch werkt in de toekomst door in gemis van pensioen en/of vermogen.
-Waar de Staat zich langdurig verwijtbaar heeft gedragen past het om
bij de benadering van de schade een ruimhartig standpunt in te nemen jegens Oltmans, zowel bij het antwoord op de vraag hoe het zonder het
onrechtmatig ingrijpen van de Staat diens leven en loopbaan zouden (kunnen) zijn verlopen als bij vergoeding van de immateriële schade.
Ten aanzien van de immateriële schade voegen arbiters daar aan toe dat
een ruime vergoeding op zijn plaats is nu de Staat de reputatie van Oltmans ten onrechte ernstig heeft beschadigd en vervolgens rehabilitatie van
Oltmans tientallen jaren is blijven tegenwerken. Arbiters zullen terzake dan ook het hoogste bedrag toewijzen dat door Oltmans bij toepassing van het
Nederlandse recht is gevorderd. Voor toepassing van het Amerikaanse recht achten arbiters geen grond aanwezig. Arbiters merken ten overvloede
op dat de in het Amerikaanse recht gehanteerde benadering bij een
immateriële schade als de onderhavige hen meer aanspreekt dan de Nederlandse.
21. Al het voorgaande overziende komen arbiters in redelijkheid en billijkheid tot een bedrag van 6,4 miljoen gulden terzake van materiële schade en f 6OO.OOO,- terzake van immateriële schade, een en ander als hierna sub 24 gepreciseerd.
22. Het is billijk dat een slachtoffer de schade aan zijn reputatie met alle
redelijkerwijs mogelijke juridische middelen probeert tegen te gaan en de
aan hem toegebrachte schade zoveel als mogelijk gecompenseerd tracht te krijgen. Daarvoor moeten kosten worden gemaakt. Het zou in onderhavige zaak onredelijk zijn indien de Staat deze kosten niet zou vergoeden. Het Scheidsgerecht meent dat de tarieven en de aantallen uren die door de
verschillende raadslieden van Oltmans blijkens de overgelegde specificaties in rekening zijn gebracht (c.q. door de Nederlandse Journalisten Vereniging
voor hem zijn voorgeschoten) niet onredelijk zijn. Het gaat om een totaal
van f 982.547,14 in de periode 1991/92 t/m 1999. Daarbij dient bedacht te worden dat het gaat om omvangrijke juridische bijstand vanaf 1991 tegen
een zich op alle fronten verwerende Staat der Nederlanden waarbij Oltmans heeft getracht ten behoeve van die procedure zoveel mogelijk stukken van de Staat en/of andere overheden te verkrijgen en heeft getracht zoveel mogelijk bewijs te vergaren omtrent het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van de Staat en zijn schade. Het maken van deze kosten en het in deze procedures zoeken van juridische bijstand acht het Scheidsgerecht een gevolg van de gedragingen en de houding van de Staat. Het was redelijk dat Oltmans deze juridische bijstand zocht en deze kosten maakte. Het Scheidsgerecht zal terzake van deze kosten en de kosten van juridische bijstand in onderhavige arbitrale procedure in totaal een bedrag van, afgerond, een miljoen gulden toewijzen.
23. Op basis van het vorenstaande oordeelt het Scheidsgerecht dat in redelijkheid en billijkheid de Staat aan Oltmans terzake van materiële schade, immateriële schade en vergoeding van gemaakte kosten van
rechtsbijstand een bedrag dient te vergoeden van in totaal 8 miljoen gulden.
24. Het Scheidsgerecht gaat er daarbij van uit dat dit bedrag van 8 miljoen gulden een bedrag is dat Oltmans in handen krijgt en in handen houdt zonder dat hij daarvan enig deal terzake van aan hem op te leggen belasting behoeft af te staan. Mocht dat wel het geval zijn dan dient de Staat het afgestane bedrag middels betalingen aan Oltmans zodanig te compenseren dat Oltmans het bedrag van 8 miljoen gulden alsnog integraal in handen krijgt en houdt zonder dat dit als gevolg van aan hem opgelegde belastingheffing vermindert. Deze (eventuele) door de Staat te geven compensatie wordt hierna aangeduid als compensatie van (eventuele) belastingschade.
25. Oltmans heeft voorts gevraagd de Staat te veroordelen tot verstrekking van een garantiesubsidie aan de Stichting welke tot doel heeft de dagboeken van Oltmans uit te geven. In voornoemd bedrag van 8 miljoen gulden hebben arbiters echter de volledige door de Staat aan Oltmans te verstrekken financiële compensatie begrepen, zodat voor toewijzing van deze vordering, wat daar verder ook van zij, geen plaats is.
26, Het verzoek van Olmans om de Staat te veroordelen om hem in de AOW te plaatsen, wat daar verder ook van zij, valt buiten de opdracht aan het
Scheidsgerecht zoals het Scheidsgerecht die in de akte van compromis vervatte opdracht verstaat. Hetzelfde geldt voor de gevorderde
medewerking aan het verkrijgen van een "green card" voor de VS.
27. Wat de kosten van de onderhavige arbitrage betreft heeft de Staat zich blijkens de akte van compromis verbonden de kosten van het
Scheidsgerecht te dragen. De kosten van de arbitrage worden vastgesteld op:
administratiekosten f 5.875,-
honorarium arbiters f 59.237,50
totaal 165.112,50
De door Oltmans gevorderde kosten van juridische bijstand in onderhavige procedure zijn begrepen in het hiervoor sub 22 vastgestelde bedrag.
28. Omdat een minderheid van de arbiters weigert deze uitspraak te
ondertekenen zal daarvan door de andere arbiters onder de ondertekening van dit vonnis melding worden gemaakt op de voet van art. 48 lid 2 Van het NAI Arbitrage Reglement. Ook deze vermelding zal door hen worden ondertekend
BESLISSING
Ondergetekenden, oordelende als goede mannen naar billijkheid:
1. veroordelen de Staat aan Oltmans te betalen een bedrag van 8 miljoen
gulden, vermeerderd met (eventuele) belastingschade als bedoeld hierboven sub 24;
2. verstaan dat de kosten van deze arbitrage ad f 65.112,50 worden
verrekend met de door de Staat betaalde administratiekosten en het door de Staat gestorte depot;
3. wijzen af het meer of anders gevorderde.
Aldus gedaan te 's-Gravenhage op 12 mei 2000.
P.J. Vinken
A.H.W. van der Want
Het lid van het Scheidsgerecht de heer D. Dolman heeft geweigerd dit vonnis (mede) te ondertekenen.
's-Gravenhage, 12 mei 2000
P.J. Vinken
A.H.W. van der Want